Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
uit zes »raden ordinäres" en twee »raden extraordinares"
bestaande, welke laatsten slechts eene adviseerende stem
hadden, tenzij de Raad onvoltallig was. Gouverneur en
Raad hadden samen het recht van gratie, het toezicht op
de »voortplanting" van den Christelijken godsdienst en de
uitbreiding van het onderwijs, en de bevoegdheid ambtenaren
te benoemen, met uitzondering van de raden van Indië, de
leden van den Raad van Justitie en de predikanten, die door
de Kamer van Zeventienen werden aangesteld. Het eerste
lid van den Raad van Indië was gewoonlijk directeur-gene-
raal van den handel. De ambtenaren konden van assistent
opklimmen tot boekhouder, onderkoopman, koopman en
opperkoopman. Om het prestige der blanken tegenover de
inlanders te bewaren, was het den lageren ambtenaren ver-
boden te huwen, ten einde hun stand te kunnen ophouden,
en mocht niemand eene inlandsche vi'ouw naar Europa
medebrengen. In het belang der kerk waren huwelijken
met ongeloovigen verboden. Het zedelijk gehalte der amb-
tenaren liet zeer veel te wenschen over.
Soldaten werden voortdurend, somtijds 3000 per jaar, uit
Nederland gezonden. In grooten getale stierven zij onder-
weg, of moesten zij bij hunne aankomst te Batavia in 't
hospitaal worden opgenomen. Niets was bij de Compagnie
slechter ingericht dan het leger, omdat daarop zooveel
mogelijk werd bezuinigd. Om over een eenigszins voldoend
aantal troepen te kunnen beschikken, nam zij ook inlanders
onder eigen aanvoerders in dienst.
Onder het bestuur van Reiniersz werden de bepalingen,
die de schepen op hunne reis naar, en gedurende hun ver-
blijf in Indië hadden na te komen, in één artikelbrief ver-
eenigd. Het was streng verboden buiten de lading voor
de Compagnie, iets naar Nederland mede te nemen. Kaar-
ten en aanteekeningen moesten aan de Bewindhebbers of
den gouv. gen. worden afgegeven, en daar het verboden
was aan particulieren over Indische zaken te schrijven,