Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
eene vredelievende staatkunde te volgen, ofschoon Mataram
en Bantam weigerden de contracten na te komen.
26. Onder het bestuur van den gouv. gen. Van Diemen
(1636—1645) keerde langzamerhand de rust weder, daar men
voortging de weerspannigen op Amboina met het omhakken
hunner nagelboomen te straffen, als de gouverneur der Mo-
lukken zijn jaarlijkschen tocht deed met door onderhoorige
dorpen geleverde prauwen (hongitochten). Met Mataram en
Bantam kwam Van Diemen weer op een vriendschappelijken
voet. De strooptochten in de omstreken van Batavia hiel-
den daardoor op, en zoo kon er de landbouw ontwikkelen,
waarop zich vooral de Chineezen toelegden, die bovendien
een groot gedeelte van den handel in handen hadden. Nog
meer nam Batavia in bloei toe, nadat de Nederlanders Ma-
lakka aan de Portugeezen hadden ontrukt (1641), maar
tevens stak de kerkelijke onverdraagzaamheid, die onder
Specx was afgenomen, weer zoodanig het hoofd op, dat er
onder de Christenen geene andere dan de Gereformeerde
kerk werd geduld, en het aan Mohammedanen en Chineezen
verboden werd openbare godsdienstoefeningen te houden.
Op Amboina werden zelfs afvallige Christenen verbrand.
Ook op Ceylon werden de Portugeezen met voordeel be-
streden, zoodat wij verlof kregen er steenen huizen voor
den handel te bouwen.
27. De loge, die wij sedert 1610 op het eiland Firando
(ten Z. W. van Kioesioe) bezatenj moest, daar de Japan-
neezen ons plotseling minder gunstig gezind werden, in
1640 verlaten worden. Ons werd echter onder velerlei be-
lemmerende bepalingen toegestaan, op het kleine Decima
in de haven van Nangasaki eene factorie te vestigen. Wel
mocht dit nog als een voorrecht beschouwd worden, daar
aan alle andere natiën, met uitzondering der Chineezen,
de handel op Japan werd verboden.
Nog vestigde zich onder het bestuur van Van Diemen
eene Nederlandsche kolonie op het eiland Formosa en ont-