Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
maakt van de onbezorgdheid van den Javaanschen landbou-
wer gebruik om zich te verrijken, en ofschoon hij een woe-
keraar is, wendt de Javaan zich steeds weder tot hem,
omdat hij door niemand anders met zooveel voorkomendheid
door een geldelijk voorschot uit een oogenblikkelijken nood
wordt gered.
In alle plaatsen, waar Chineezen gevestigd zijn , hebben
zij eene eigene wijk, het Chineesche Kamp genaamd, en
daar staan zij onder eigene hoofden, die naar gelang van
de belangrijkheid der plaats, den titel van majoor, kapi-
tein of luitenant voeren. Die hoofden staan onder een scherp
toezicht van het gouvernement, en hun gezag is zeer be-
perkt, omdat de Chineezen dikwijls de openbare rust ver-
stoord hebben, niet het minst wegens de geheime genoot-
schappen, die onder hen bestonden.
Daar het aan de vrouwen streng verboden is China te
verlaten, huwen de Chineezen in den O. I. Archipel met
inlandsche meisjes. De kinderen uit zulk een huwelijk (pe-
rantxkan) blijven in Indië, maar de Chinees keert, als hij
zich eenig vermogen heeft verworven, gewoonlijk naar zijn
vaderland terug. Doet hij dit niet, dan zendt hij toch jaar-
lijks met de heen en weer varende jonken aan zijne arme
ouders of betrekkingen eenigen onderstand.
In ieder Chineesch Kamp zijn een of meer Boedha-tem-
pels, waarin eenige gedrochtelijke beelden staan, en die
ieder door een zestal priesters bediend worden. Den eersten
en den vijftienden van iedere maand (nieuwe en volle maan)
wordt er in den tempel algemeen geofferd; op de overige
dagen moeten de priesters voor ieder, die zich daartoe aan-
meldt, offeren, of de godheid raadplegen over den uitslag
eener onderneming. Dit laatste geschiedt door het opwer-
pen van twee blokjes, die elk eene platte en eene bolle
zijde hebben. Vallen beide blokjes op de bolle zijde dan is
dit een slecht, vallen zij op de platte zijde dan is dit een