Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
grooten schotel kokende rijst, waardoor, insgelijks met de
hand, het onmisbare schapen- of bokkenvleesch en knof-
look is geroerd. Zij houden zich uitsluitend bezig met han-
del en scheepvaart; menig Arabier is eigenaar van een
schip. Om die reden houden zij zich hoofdzakelijk in de
kustplaatsen op, vooral te Soerabaya, op Madoera, in Pon-
tianak en in Palembang. Misbruik makende van hunne
meerdere ontwikkeling, weten zij de Javanen op alle mo-
gelijke wijzen te bedriegen om aan geld te komen, en al
maken zij zich aan geen moord of diefstal schuldig, nergens
hebben de rechtbanken zooveel te doen, als waar veel Ara-
bieren gevestigd zijn. Hierom en uit vrees, dat zij de be-
volking zouden opruien, verleende het gouvernement hun vroe-
ger niet tot alle residentiën den toegang, met name niet
tot de Preanger-Regentschappen, die ook door de Chineezen
niet betreden mochten worden.
17. Eer de Europeanen in den O. I. Archipel kwamen,
hadden er zich reeds Chineezen gevestigd. Tegenwoordig
bedraagt hun aantal er ver over de 300,000. Nog komen
jaarlijks Chineezen, door armoede uit hun land gedreven,
in logge jonken of wankangs, en sedert 1842 ook met En-
gelsche schepen, naar den O. I. Archipel. Zonder geld,
want alles, wat hij bezat, moest strekken om den overtocht
te betalen, komt de Sing-Keh (nieuwe gast) aan. Hij wordt
door zijne landgenooten gastvrij opgenomen, want de hem
eigene werkzaamheid stelt hem spoedig in staat als land-
bouwer, klontong (rondventer) of knecht bij een handwerks-
man in zijn eigen onderhoud te voorzien. Niet zelden is
een Chinees, die aldus begint, na weinige jaren een ver-
mogend landverhuurder of een rijk koopman. Te Batavia
oefenen de Chineezen alle ambachten uit en zijn zij als
kassiers in dienst van het gouvernement en op de kantoren
van particulieren. Op Banka, Biliton en Borneo houden
zij zich hoofdzakelijk met de mijn-exploitatie bezig, en op
Riouw met de peper- en gambircultuur. De sluwe Chinees