Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
gedeelte der Molukken, Alfoeren. Zij zijn een vreedzaam
volk, voor meer dan de helft tot het Christendom bekeerd.
De nog heidensche Alfoeren gelooven aan goede en kwade
geesten, wier beeldjes op de zolders der huizen bewaard
worden, en die men met offers dient. Vroeger kwam bij hen
het menschenoffer voor. Merkwaardig is de wijze, waarop
zij hunne dooden begraven. Zij omwinden het in eene zit-
tende houding gebrachte lijk zeer vast met doeken, plaatsen
het in een steenen pot, sluiten hem met een deksel, en
bewaren hem dan onder of nabij het huis.
14. De Westkust van Borneo is gekoloniseerd door Mo-
hammedaansche Maleiers van Malakka, de overige kusten
door Javanen en Boegineezen, welke laatsten diamant kun-
nen slijpen, terwijl in het binnenland de heidensche Dajaks
wonen. Dezen zijn berucht wegens het koppensnellen, doch
niet allen even onbeschaafd. Bij een gedeelte hunner, de
Kahajans, staat de kunst om ijzer uit erts te smelten en
tot zwaarden te smeden op eene merkwaardige hoogte.
15. Behalve Europeanen en Arabieren vindt men in den
O.I. Archipel als vreemdelingen nog Chineezen en Klingalee-
zen , onder welken laatsten naam (van Kalinga, de oude bena-
ming van Koromandel) men personen verstaat, die uit Voor- of
Achter-Indië afkomstig zijn.
10. De Arabieren van den O. I. Archipel, ofschoon
slechts 13000 in aantal, zijn als inboorlingen van het geboor-
teland van den profeet, en wegens de nauwgezetheid, waar-
mede zij de voorschriften hunner godsdienstleer nakomen,
steeds boven andere vreemdelingen bij de inlanders ge-
zien. Trotsch op hunne afkomst en met minachting neer-
ziende op belijders eener andere leer, zelfs op allen, die,
zooals de Javanen, voor hen in kennis van den Koran
moeten onderdoen, leggen de Arabieren nergens de hun
eigen zeden en gewoonten af. In hunne woningen is alles
even vuil en bij de maaltijden der minvermogenden tasten
allen, die mede aanliggen, met de hand in den eenigen