Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
wijze verklaart. De imam sluit ook de huwelijken en bidt
voor de overledenen.
In de meeste dessa's echter is een langgar (bedehuis),
dat slechts weinig van de gewone hutten verschilt. In dit
bedehuis ontvangen de jongens, die reeds op hun zesde jaar
hunne ouders beginnen te helpen met hout te sprokkelen,
water te halen en de karbouwen in weide of bosch te hoe-
den, een paar uur bij zonsopgang en na zonsondergang
gedurende hoogstens één jaar zeer ongeregeld onderwijs in
het zingend opdreunen van den Koran. Daar deze in 't
Arabisch geschreven is en eigenlijk niet vertaald mag wor-
den, verstaan de leerlingen er niets van. Niet beter is het in
dit opzicht meestal gesteld met hun leermeester, den dorps-
priester, die door de bewoners der dessa gekozen en ont-
slagen wordt. Wat eigenwijsheid, een zekere roep van hei-
ligheid en de voorspraak van de hoofden en oudsten der
dessa zijn wel eens voldoende om iemand tot zulk een post
van vertrouwen te doen benoemen. Het liefst echter verkiest
de bevolking iemand, die eene school voor kerkelijk onder-
wijs bezocht, en daardoor den naam van geleerde verkregen
heeft.
10. De Maleiers, die de negariën (dorpen) van Padang en
de Padangsche bovenlanden bewonen, verschillen van die der
andere deelen van den O. I. Archipel in taal en gewoonten.
Gouden sieraden en zijden kleederen zijn bij hen geene zeld-
zaamheden. Zij bouwen hunne huizen op palen, eenige
voeten boven den grond. Deze huizen zijn van hout, zeer
bont geverfd en in twee afdeelingen verdeeld. De eerste,
het voorvertrek, is van eenige smalle venstertjes en een
vuurhaard voorzien, de tweede bevat eene menigte kamer-
tjes. De Maleier bewoont dit huis met zijne moeder, broe-
ders en zusters. Huwt er eene van deze, dan blijft zij met
hare kinderen het huis bewonen, dat zoo noodig vergroot
wordt, terwijl haar man er als vreemdeling wordt beschouwd.
De reden hiervan is, dat de akkers onverdeeld aan de fa-