Boekgegevens
Titel: Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1876
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5389
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201007
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte geschiedenis der Nederlandsche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
sehe peper is hun voedsel, koffie en bij feestelijke gelegen-
lieden tjoe of légen, eene soort wijn uit het sap van den
areng-palrn bereid, hun drank. Een jaar van welvaart of
van gebrek hangt uitsluitend af van het al of niet gelukken
van den rijstoogst. Om het land te beploegen is de karbouw
(buffel) onmisbaar. Zelfs de minder gegoeden bezitten er
gewoonlijk een of twee, omdat men niet zeker is er juist in
den ploegtijd een te kunnen huren. Wie er een tiental te
verhuren heeft, kan rijkelijk leven.
5. Welk een sober leven de Javaan moge leiden, hij is
verkwistend, waar het opschik met gouden en zilveren sie-
raden en feestmalen betreft. Aan een huwelijks- of besnij-
denisfeest of eene begrafenisplechtigheid legt hij soms meer
ten koste, dan hij in den tijd van een geheel jaar bij noeste
vlijt kan overhouden. Dan leent hij, dan verpandt hij zelfs
de vruchten van den arbeid van een volgend jaar. Bij onver-
mogen om te betalen, deed hij vroeger zijne schuld af, door
zich als arbeider ter beschikking van zijn schuldeischer te
stellen (pandelingschap). Nadat op Java het pandelingschap
meer en meer in onbruik was geraakt, heeft de Nederland-
sche regeering sedert 1872 overal, waar zij onmiddellijk ge-
zag uitoefent, het pandelingschap verboden. Het grootste
onheil echter wordt over den Javaan gebracht door het dob-
belspel en het amfioenschuiven.
Ofschoon de Koran den Javaan toestaat vier vrouwen te
huwen, heeft hij er, althans zoo hij tot de lagere standen
behoort, gewoonlijk slechts ééne. Het doel der opvoeding
van een Javaansch meisje is den pot te kunnen koken, kleed-
jes te weven en te batiken (gekleurde patronen op katoen
brengen) en kleederen te maken en te verstellen. De vrouw
is haar man ook behulpzaam bij den veldarbeid. Vooral als
de padie (rijst in den bolster) gesneden moet worden, be-
geven zich de vrouwen bij geheele troepen naar de velden,
waar zij onder luidruchtige scherts even hard werken als de
mannen.