Boekgegevens
Titel: Christelijke lesjes: eerste aanleiding tot godsdienst-onderwijs
Auteur: Beets, Nicolaas
Uitgave: Utrecht: Kemink & zoon, eind 19e eeuw *
6e dr; 1e uitg.: 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5334
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200984
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Geloofsleer, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Christelijke lesjes: eerste aanleiding tot godsdienst-onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het
eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de
goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.
Ik beveel u voor God, die alle dingen levend maakt,
en voor Jezus Christus, die onder Pontius Pilatus de
goede belijdenis betuigd heeft, dat gij dit gebod houdt.
1 Timotheus VI : 12, 13, 14.
Jezus Christus, — die gekruist is.
Hij is om onze overtredingen verwond, om onze on-
gerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den
vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen
is ons genezing geworden. Jezaia LHI : 5.
[Christus is het] die zelf onze zonden in zijn lichaam
gedragen heeft op het hout; opdat wij der zonden af-
gestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door
wiens striemen gij genezen zijt. 1 Petr. II : 24.
Jezus Christus, — die gestorven is.
Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn
leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor
de broeders het leven te stellen. 1 Joh. III: 16.
Jezus Christus, — die begraven is en nedergedaald
ter helle (dat is, in het doodenrijk).
Daarom heeft zich mijn kwijnend hart verblijd;
Mijn tong, mijn eer, zingt Godgewijde tonen;
Ook zal mijn vleesch, thans afgesloofd, ten spijt
Des vijands, in den grafkuil zeker wonen.
Gij zult mijn ziel niet in de hel vergeten,
Uw Heiige zal van geen verderving weten. Psalm XVI: 5.