Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Europa en de werelddeelen
Auteur: Kleijn, A.A.; Schutte, G.
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5316
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200982
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Europa en de werelddeelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
De Alpen. 1)
§ 31. De Alpen. De kern van liet Europeesche berg-
land vormen de Alpen, die zich in een wijden boog uit-
strekken van de Middellandsche Zee tot den Donau. Zjj
beslaan in 't geheel eene oppervlakte gelijk aan maal
de grootte van Nederland. Men verdeelt ze in:
a. West-Alp en, op de grenzen van Italië en Frank-
rijk, van de Zee tot den Mont-Blanc. Do belangrijkste
toppen zijn hier: de Mont-Viso, de Mont-Cenis en de
Mont-Blanc. 1)
b. de Centraal-Alpen, van den Mont-Blanc tot den
Brennerpas in Tyrol. Doze behooren hoofdzakelijk tot
Zwitserland; zij hellen naar Italië steil af, minder steil
naar de Noordzijde. De hoofdkoten der Centraal-Alpen
wordt verdeeld in: 1® de Penninische-Alpen, van den
Mont-Blanc tot den Sim pion (met den Groote n St.
Bernhard 3) en don Mont-Rosa). 2^. de Leponti-
s c h e-A 1 p e n, van don S i m p 1 o n tot den S p 1 ü g e n (mot
den St. Gotthard), 3®. de Rhaetische-Alpen. Ten
Noorden van deze hoofdketen en gedeeltelijk evenwijdig
daarmede, heeft men de B e r n e r-A 1 p e n (met den .1 u n g-
frau, den Matterhorn, den Finster-Aarhorn); de
Rijn-Alpen en de Thur-Alpen langs den Rjjn. In de
bergen rond het Vierwoudsteden-meer hoeft men den R i g i
en den Pilatus, schoone, veel bezochte bergtoppen.
c. de Oost-Alpen van den Brennerpas tot den Donau.
Deze loopen naar alle zijden waaiervormig uit. Zjj zjjn
minder hoog dan de West- en de Centraal-Alpen, en be-
vatten, in tegenstelling van deze, een rijkdom van mineralen,
waardoor de njjverheid in die deelen van Oostenrijk een
hooge vlucht heeft genomen. De voornaamste ketens zijn
hier: In het midden : De hooge Tauern (met den Gr o sz-
Glockner) en de Stiermarksche Alpen. Ten
Noorden daarvan: de Algauer Alpen, de Salzbur-
1) Dicht en Ondicht: Een Jongen in de Alpen door J. I'. Hasebroek.
2) Gedicht: Aan den Mont-Blanc, door Dr. J. J. van Ooaterzeo.
3) Gedicht: 't Klooster op den St. Bernard door B. ter Haar.