Boekgegevens
Titel: Beknopte aardrijkskunde van Europa en de werelddeelen
Auteur: Kleijn, A.A.; Schutte, G.
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5316
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200982
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte aardrijkskunde van Europa en de werelddeelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
dertien K o n i n iv r ij k e n: Nederland, België, Groot-
Brittannië, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Honga-
rije, Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, Servië,
Roemenië;
een Grootliertogdom: Luxemburg;
een Grootvorsten dom: Finland;
vier Vorstendommen: Lichtenstein, Monaco, Monte-
negro, Bulgarije;
vier republieken: Frankrijk, Zwitserland, San-Marino
en Andorra.
Van deze staten vormen Oostenrjjk-Hongarije te zamen
een Keizer-Koninkrijk, de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie,
verbonden door een gemeenschappelijk vorstenhuis en eenige
gemeenschappelijke rijksministeriën. Deze vereeniging wordt
wel eene reëele-unie genoemd; zij is onojjlosbaar, integen-
stelling van eene personeele unie, als waardoor Zweden
en Noorwegen, alsmede Rusland en Finland verbonden zjjn.
Deze laatste staten zijn geheel onafhankelijk van elkander
en hebben slechts een gemeenschappelijk vorst.
§ 11. Klimaat. Europa ligt bijna geheel in de Noor-
delijk gematigde luchtstreek. Noor d-E u r o p a heeft strenge
winters en korte, ongestadige zomers; Zuid-Europa
zachte winters en warme zomers. Het Westen is wegens
de nabijheid van den Golfstroom 1) en ten gevolge van
de warme Zuidwestenwinden warmer en vochtiger dan
het Oosten. Het Westen heeft een zee-klimaat, het
Oosten een vastland-klimaat.
§ 12. Natuurproducten. Europa bezit veel mineralen,
vooral: Steenkolen, ijzer, kwikzilver, koper, lood en zout. In de
planten- en dierenwereld bestaat geen groote verscheidenheid.
In Noor d-E u r o p a groeien dwergberken, mossen en beuken.
In Midden-Europa vindt men loof- en naaldboomen,
1) De Golfstroom is een sfcrooming ia den Atlantischen Oceaan,
die van de Westkust van Afrika naar Middel-Amerika vloeit, in
de Golf van Mejico zich wendt en in noordoostelijke richting naar
de Westkust van Europa stroomt. Hij bezit, daar hij uit de heete
geweston komt, oen hooge temperatuur, behoudt zelfs in den win-
ter 5"—lO» warmte en is de oorzaak, dat de havens van Noorwegen
tot aan do Noordkaap steeds vrij van ijs blijven.