Boekgegevens
Titel: Beginselen der goniometrie en regtlijnige trigonometrie, en berekening der oppervlakken en inhouden van ligchamen, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & Comp, 1857
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-342
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200969
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Goniometrie, Trigonometrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der goniometrie en regtlijnige trigonometrie, en berekening der oppervlakken en inhouden van ligchamen, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
()H
8, (lOgevcn zijnde tany. a = \\/^o , terwijl de hoek o tol het cersle
(jnadrant hehoort, vraagt men sin. a te berekenen (5 20).
9. Hetzelfde, wanneer a tol het derde quadrant hehoort (§ 21).
10. Hetzelfde, wanneer men niet weet lot welk quadrant a be-
hoort (§ 20 en §21).
11. Verklaren cn bewijzen hoe het van de posilievc en negalie^c
toestanden van den sinus cn cosinus eens hoeks afhangt, of
de tangens positief of negatief is, en dit door voorbeelden op-
helderen (§ 22).
12. Bewijzen en door voorbeelden ophelderen, dat dc tangens en
cotangens van een zelfden hoek altijd hclzelfde teeken hebben (§22).
15. Hetzelfde tc doen voor den cosinus en secans, alsmede voor
den sinus cn cosecans (§ 22).
c. Over de heirekkingen van afhankelijkheid Uissehen de gonio-
metrische lijnen van verschillende bogen of hoeken,
§ 25 - § 50.
\i. Van twee scherpe hoeken a en 6 zijn de sinussen gegeven, en
wel: fijrt.a = Jl/2, en nien vraagt den sinus en co-
sinus van de som dezer hoeken te berekenen (§ 25).
15, Hetzelfde voor bun verschil (§ 25).
10. Van twee scherpe boeken a en 6 zijn de tangenten gegeven, en
wel: iang.a~\ en 6 = J |/5; men vraagt den sinus en
cosinus van de som dezer hoeken te berekenen (§ 25).
17. Wanneer sin, a=* 1/2 is, terwijl a lot het tweede quadrant
behoort, hoe groot is dan cos, 2a (§ 24).
18. Wanneer men weet dat s/n, 150" = ^ is, vraagt men hieruit dc
goniometrische lijnen van eenen hoek van 500° te berekenen (§ 24).
19. Met behulp van den in H vorige vraagstuk gegeven sinus, vraagt
men de goniometrische lijnen tc berekenen van eenen hoek
van 75« (§ 24).
20. Hoe groot moet cos. a zijn, opdat cos. zij? (§24).
21. Gegeven zijnde cos/'c. (90°-f 6) = 2 , terwijl b lot het eerste qua-
drant behoort, vraagt vucn tang. (pO^ ^ b) te berekenen (§25).
22. Hoe groot moet «cc. 6 zijn , opdat/OM^. (90° H-6) = —5 zij?(§25).