Boekgegevens
Titel: Beginselen der goniometrie en regtlijnige trigonometrie, en berekening der oppervlakken en inhouden van ligchamen, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & Comp, 1857
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-342
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200969
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Goniometrie, Trigonometrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der goniometrie en regtlijnige trigonometrie, en berekening der oppervlakken en inhouden van ligchamen, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
zoodat, door de redeneering van 't eersie voorbeeld behoorlijk te wij-
zigen, gevonden wordt :
36 : 20 60" : ;
waaruit : x = 55".
Derhalve is: 180" —« = 26«5o'55";
dus: ft = 180« — 26«55'55" = 1 o5°24'27".
Cegeven zijnde log. tang, a = 9,8o798—10(—), waagt men a te
bepalen.
Uit het teeken (—), dat achter den gegeven log. tang. a staat,
blijkt, dat tang, «, of het getal welks logarithmns gegeven is, ne-
gatief is; derhalve is wederom a stomp, en wel bepaaldelijk het
supplement van 't geen a zijn zou , indien zijn tangens even groot
was, maar het tegengestelde teeken had. Derhalve volgt uit bet
gegevene:
log. (^»^.(180° —a)=9,85T98—10.
IVu vinden wij in de tafel:
9,85780—10 =' en 9,85807—10=
zoodat men door eene geringe wijziging der meermalen aangehaalde
redeneering vinden zal:
27 : 18 = m" IX-
waaruit: x — 40".
Derhalve is: 180° — « = Sö^^rW;
en daarom : a = 180° — 5o°47'40" = 1UH 2'20".
o". Gegeven zijnde cos. a = — 0,99997, vraagt men a te bepalen.
Even als in 'l derde voorbeeld te werk gaande, vinden wij:
cos.(180° —«) = 0,99997.
Blijkens de tafel is nu 180°—a gelegen tusschen 0°2ö' cn 0°28',
doordien de cosinussen van alle daartusschen gelegen bogen of hoe-
ken in dc eerste vijf decimalen geheel met den gegcvcnen overeen-
stemmen. Derhalve ligt a tusschen 180°—0°2ö' en 180°—0^28', dat
is: tusschen 179^55' en 179°52'.
6°. Gegeven zijnde cos. a = vraagt men a ie bepalen.
Uit COS. rt = -J-1/^ )
volgt : log. COS « = | log. 5 — log.