Boekgegevens
Titel: Vraagstukken en vormen voor de voorbereidende klasse tot de hoogere burgerschool
Auteur: Ising, Jan C.W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1896 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4920
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200878
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken en vormen voor de voorbereidende klasse tot de hoogere burgerschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
op interest legen % Hoeveel rente trekt hij in
4 jaar ?
192. Kr wordt eerst \ en later nog 'é verkocht van een partij
koopwaar, wegende 1925 K.tl. Hoeveel Kd. blijlt erover?
193. Een partij koopwaar is gekocht voor 1' l21(i,3H en ver-
kocht voor t' 1340,70; hij den inkoop heeft men f 78,40
en bij den verkoop f <»0 onkosten gemaakt. Hoeveel is er
gewonnen of verloren ?
I9'i-. A kan zeker werk verrichten in (i uur, terwijl H het kan
doen in 8 uur, Welk deel van werk kuinien zij samen
per unr verrichten ?
195. Iemand verliest op eene partij koopwaar ; de som
van in- en verkoop is 1' I8()(»,34. Hoe hoog is 't verkoop-
bedrag ?
I9(;. lïereken: (7,4"^ — 50.^)^ — 3,(»9-^ —
197. A heeft 3-5 maal zooveel geld als lï, lï heeft 2^ maai
zooveel als (1 en C heeft f 120. Hoeveel geld bezitten zij
met hun drieën ?
198. 't Geld van A is 3} maal begrepen in dat van B. 't geld
van B is 2.1 maal begrepen in dat van i] en i] heeft f 120.
Hoeveel geld bezitten zij met him drieën ?
199. A heeft 3i|- maal zooveel geld als B , 't geld van lï is 2.J
maal begrepen in dat van (1 en heeft f 120. Hoeveel
geld be/Zitten zij niet hun drieën?
200. Hoeveel geld heel't men in 't geheel te betalen voor 3.^
K.(;. kolVie van f 1,52 en 2; K.t;. suiker van f 0.58 per K.G. ?