Boekgegevens
Titel: Vraagstukken en vormen voor de voorbereidende klasse tot de hoogere burgerschool
Auteur: Ising, Jan C.W.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1896 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4920
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200878
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken en vormen voor de voorbereidende klasse tot de hoogere burgerschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
IG
«3. Berken: i ^A ^ ("H +
■ '.'t
124. Toen eene som gelds een jaar had uitgestaan tegen 3^%
'sjaars, was zij aangegroeid tot f71*41.025. Hoe groot was
de uitgezette som ?
125. Iemand zette f 8432 op interest gedurende een jaar en
kreeg f8895,76 terug. Bereken den rentevoet.
12<;. f1965 brengt in 2J jaar f288,20 aan interest op. Hoe hoog
is de jaarlijksche rentevoet ?
127. Een kapitaal van f716,70 heeft, tegen 4^% 's jaars,
f l(»7,o05 opgebracht. Hoe lang heeft dat kapitaal uitge-
staan ?
128. Eene geldsom bedraagt, met een jaar interest ä 3^ % ,
f 1788,48. Bereken de rente.
129. Bereken: a. 10^; b. 5^ ; c. 0,4^.
130. Willem heeft f I5| en Piet heeft f 2J meer dan Willem.
Hoeveel geld hebben zij samen ?
131. Willem heeft fl5J en Piet heeft f2J minder dan Willem.
Hoeveel geld hebben zij samen ?
132. Willem heeft f 15J en Piet heeft 2^ maal zooveel als
Willem. Hoeveel geld hebben zij samen ?
133. Willem heeft f 15-} en Piets geld is maal in dat van
Willem begrepen. Hoeveel geld hebben zij samen ?
134. A heeft 3f maal zooveel geld als G en 't geld van B is