Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
HOOFDSTUK IV.
Over den afstand, de grootte en de dichtheid der
hemellichamen.
§ 29. Afstand der aarde tot de zon. Door de voortdu-
rende waarnemingen omtrent de verschillende deelen van
ons zonnestelsel en de toepassing van de wetten van Kep-
ler is men nauwkeurig met de betrekkelijke afmetingen er
van bekend.
Boven heeft men kunnen zien dat de omloopstijden van
alle planeten bekend zijn en eveneens de afstanden van
elkander en van de zon, Uitgedrukt in den afstand van de
aarde tot de zon als eenheid.
Kan men dus dezen laatsten afstand in bekende lengte-
maat uitdrukken, dan is zulks ook het geval met alle anderen.
Daarenboven, is eenmaal de volstrekte afstand bekend,
dan valt het gemakkelijk, uit de schijnbare middellijn de
absolute grootte van zon, maan en planeten te bepalen.
Laat ons dus zien hoe het mogelijk is geweest den af-
stand van de aarde tot de zon te bepalen.
Daartoe herinneren wij aan figuur 22 pg. 57, waarin
wordt voorgesteld hoe de hoogte van een niet al te ver
verwijderde hemellichamen verschillend is, naarmate men
die waarneemt van de oppervlakte A, dan wel van het
middelpunt M der aarde.
Het verschil tusschen beide hoogten was de hoek AZM,
welke wij de parallaxis hebben genoemd.
Uit figuur 22 volgt voor de grootte van dien hoek,