Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
Uit deze tabel blijkt dat de afstanden verbazend uiteenloo-
pen en dat men moeielijk met behulp van een planetarium
een juiste voorstelling van het planetenstelsel geven kan.
Wilde men dat doen door een rei van kogeltjes om één
middelpunt te laten draaien, dan zou, indien Mercurius
op den geringen afstand van 4 centimeters van 't middel-
punt geplaatst ware, de baan van Neptunus toch nog een
middellijn van 6 meters moeten bezitten.
Bode heeft getracht verband te vinden tusschen de ver-
schillende afstanden der planeten, maar heeft het niet verder
kunnen brengen dan tot een empirische regel, die onder
ile schoonklinkende naam van de wet van Bode bekend
is. Deze regel is de volgende: neem de volgende meet-
kunstige reeks
3 6 12 24 48 96 192 enz.
schrijf onder iederen term het zelfde getal 4, aldus:
444444 4 4
dan verkrijgt men, door optelling, de reeks
4 7 10 16 28 52 100 196 enz.
Welke getallen, door 10 gedeeld, de afstanden der pla-
neten tot de zon, in die der aarde als eenheid, uitdrukken nl.
M^rc. VeDus. Aar Ie. Mars Planetoidftn. Jupiter. Saturiius. Uraniis
0.4 0.7 1 1.6 2.8 5.2 10 19.6
De onderlinge verhouding der afstanden laat zich aldus
gemakkelijk in 't geheugen terug roepen.
§ 25. Elementen der banen. Door de drie wetten van Kepler
wordt de vorm der planetenbanen en hare ligging ten op-
zichte der zon aangewezen benevens de wijze waarop de
planeet haar doorloopt. Maar omtrent de ligging der
baan in de ruimte geven zij geen opheldering en is ook tot
nog toe geen enkele regel bekend.
Voor ieder afzonderlijk moet dus de ligging der baan in
de ruimte nauwkeurig bepaald kunnen worden. Dit nu is
bekend indien men vooreerst weet, volgens welke lijn het
vlak der planetenbaan de ecliptica snijdt, en ten tweede
welke helling dat vlak daarop bezit; zoo men dan ten
derde kan vinden hoe de groote as der ellips in het zoo
bepaalde vlak gelegen is, dan is de vraag opgelost. De
ligging nu der groote as in het vlak der baan wordt op
een eenvoudige wijze aangegeven door den hoek dien zij