Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
slechts heen en weder schommelt over de boog CED en wel
eerst van E naar D, dan van D naar C en daarop weder
van C naar E, doorloopt de zon schijnbaar de geheele cirkel
nl. van S, naar Sj , S3, S,. In A, en P, zijn aarde en
planeet in conjunctie, dus voor ons oog planeet en zon
in oppositie; inA, enP, zijn daarentegen planeet en
zon in conjunctie.
Men ziet dat aldus de samengestelde beweging, ook het
stilstaan en achteruitgaan gemakkelijk en voldoende verklaard
worden.
Uit den aard der beweging heeft men verder opgemaakt
dat de buitenplaneten, wat haar afstand tot de zon betreft,
op elkander volgen als in bovenstaand lijstje nl. Mars, Ju-
piter, Saturnus, Uranus en Neptunus, terwijl de
telescopische planeten tusschen Mars en Jupiter zijn gelegen.
§ 24. Wetten van Kepler. Bij do verklaring, van de schijn-
bare beweging gegeven, moet opgevallen zijn, dat alsdan
iedere binnenplaneet bij iederen omgang eens de schijf der zon
zou moeten passeeren en dat de schijnbare beweging geheel in
de ecliptica moet plaats grijpen. Dit is echter niet zoo ; slechts
enkele keeren passeert er een planeet over do zonneschijf en
de schijnbare beweging van ieder heeft plaats in kromme
lijnen, die zich om de ecliptica slingeren (zie § 14)'.
Hieruit volgt dat onze voorstelling in zoo ver onjuist was;
maar dit laat zich herstellen door de onderstelling dat de banen,
die wij in één vlak hebben aangenomen, eigenlijk zijn in ver-
schillende vlakken, dat dus de baan van P., fig. 28 een zekeren
hoek maakt mot de aardbaan of ecliptica A,, Aj, A, , A^.
Er zal dan alleen passage over de zonneschijf plaats hebben,
indien bij een conjunctie van planeet en zon, de planeet
juist in een der knoopen is, d. i. in een dier punten waar
de loopbaan der planeet het vlak der ecliptica snijdt.
Wij moeten ons dus de planeten als een stel van lichamen
denken, die ieder in haar eigen vlak en in ellipsen in be-
paalde tijden den omloop om de zon volbrengen, welke daarbij
als middelpunt van het stelsel optreedt. Deze vereeniging
nu noemt men het pla n e tens t el sel of ook wel het zon-
nestelsel, als de zon er bij gerekend wordt,
Voor dat planetenstelsel nu heeft Kepler uit de waar-
nemingen van Tycho nog twee andere wetten kunnen ont-
dekken dan die boven aldus is opgegeven: