Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
onzichtbare planeten gevonden zijn, zoodat hun gezamenlijk
getal nu reeds tot meer dan 130 geklommen is.
De groote planeten zijn:
Mercurius. Jupiter.
Venus. Saturnus.
DeAarde. Uranus.
Mars. Neptunus.
Onder deze zijn er twee, wier schijnbare beweging anders
is dan die der overigen, nl. van Mercurius en Venus.
Terwijl nl. de overigen den geheelen hemel doorloopen
en bij iedere revolutie in oppositie komen met de zon,
d. w. z. juist diametraal tegen haar over liggen, blijven die
beide planeten altijd in de onmiddellijke nabijheid er van,
zoodanig zelfs dat Mercurius in den regel in hare stralen
verborgen, dus moeielijk te zien is.
Beiden verwijderen zich eerst van de zon naar 't Oosten
tot op een zekeren afstand, naderen haar dan weder, gaan
naar de westzijde over, weder tot op een zekeren grens,
keren dan weder terug enz. Het schijnt dus dat zij om de
zon heen en weer schommelen. Aldus zijn zij nu eens
avondster, en dan weder morgenster. Haren afstand
tot de zon op zeker oogenblik noemt men de elongatie
en hare grootste elongatie de digressie. Voor Mercurius
is de laatste tusschen 16° en 28°, voor Venus tusschen 45°
en 48° gelegen.
Deze verschijnselen nu laten zich gemakkelijk verklaren
als men vooronderstelt dat Mercurius en Venus met de
aarde mede om de zon loopen maar met grootere snel-
heid en in banen, die binnen de aardbaan gelegen zijn.
Wanneer wij, die ons bewegen, dan naar zulk een
planeet zien, die sneller voortgaat, dan za dat voor ons 't
zelfde geven, alsof wij stil stonden en de planeet met het
verschil der snelheden in haar baan voortging.
Het zal dan hierop neerkomen, alsof wij van eenigen af-
stand daarbuiten een persoon nakeken, die in een draaimo-
len gezeten is. De as van de draaimolen is dan de zon,
de persoon de planeet. Alleen is er dit verschil, dat wij
in dit voorbeeld gemakkelijk bij de persoon kunnen opmer-
ken of zij vóór of achter de as is, terwijl dat bij de zon
en de planeten niet zoo waargenomen kan worden. Na eenig
nadenken zal, dunkt mij, ieder begrijpen dat Mercurius en