Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
as, CD de kleine as, O, het middelpunt en OF de
excentriciteit. Verder heeten de lijnen FA,FE,FL,FB
voer stralen en de figuren AEP en FLB sectoren.
In zoodanige lijn nu beweegt zich de aarde om de zon, die
b.v. in F moet gedacht worden. In A is de aarde dan
het dichtst bij de zon, in B het verste weg, A noemt men
het perihelium, B het aphelium. Het perihelium is
dus het punt, boven genoemd, vanwaar uit wij de zon met
de grootste middellgn en met de grootste snelheid zien.
De excentriciteit is niet groot, nl. ongeveer hetgeen
beteekent dat OF is van OA. De loopbaan der aarde
nadert dus zeer tot een cirkel.
Het perihelium valt ongeveer op 21 December, het
aphelium op 21 Juni. In den zomer zijn wij dus het verste
van de zon; zoo de loopbaan der aarde meer langwer-
pig ware uitgerekt, zouden onze zomers derhalve minder
warm zijn.
§ 21. Pliasen der maan. Op de schijnbare beweging der
zon hebben wij die der maan laten volgen. Bij die gele-
genheid is vermeld dat zij in 27 dagen een grooten cirkel
om den hemel schijnt afteleggen, die de ecliptica onder een
hoek van 5° snijdt. Voor ons oog loopt zij in 27 sterre-
dagen den geheelen hemel door, en ook hier hebben wij dus,
even als bij de zon, slechts keuze te doen tusschen twee
voorstellingen: óf de maan draait om de aarde, óf de aarde
om de maan. Daar wij echter weten dat de aarde al om
de zon loopt, moet de laatste onderstelling vervallen. Wij
kunnen toch niet aannemen dat we gelijktijdig om de zon
e n om de maan draaien, daar een dergelijke samengestelde
beweging zich reeds lang aan den schijnbaren loop der zon
had kenbaar gemaakt.
De maan draait derhalve om de aarde, en met
de aarde om de zon. Als een trouwe wachter of
satelliet blijft zij ons voortdurend nabij, en verlicht onze
donkere nachten met haar zacht en helder licht. Dit licht
heeft zij echter aan de zon ontleend. Zij kaatst eenvoudig"
het zonnelicht, dat op haar valt, voor een deel terug en
zendt dit de aarde toe. Dat dit zoo is, dat de maan dus
even als de aarde uit zich zelf geen licht geeft maar het
van de zon ontvangt, dit wordt ten duidelijkste bewezen
door de schijngestalten der maan. Wij zien nl. de