Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
c. Bij de zon en de maan moet men ook nog de schijnbare
middellijn in rekening brengen. Het middelpunt kan
men niet waarnemen, derhalve meet men de hoogte van
den onderrand of den bovenrand en moet daarbij dan nog
de schijnbare halve middellijn optellen of aftrekken, tenzij
men zoowel de hoogte van den eenen als van den anderen
rand bepaalt.
d. De zeeman eindelijk, die de hoogte bepaalt zonder be-
hulp van een kwikspiegel, derhalve daartoe den aardschen ge-
zichtseinder aanwendt, die zich voor hem als een volledige
cirkel uitstrekt, deze moet nog bedenken dat die gezichts-
einder niet de schijnbare of ware horizon is.
Uit fig. 23 blijkt dat als hij zich boven de oppervlakte der
zee, nl. in A bevindt,
fig. 23.
als gezichtseinder
heeft de lijn AT, ter-
wijl de schijnbare ho-
rizon daar BH' is.
Hij meet de hoogte
SAT en moest meten
de hoogte SBH',welke
zooals ligt is in te zien,
zooveel kleiner is dan
de gemeten hoek, als
/ H'CT bedraagt.
Z H'CT = Z ACB
noemt men de kim-
duiking, en moet
afgetrokken worden
van de gemeten
hoogte.
VRAGEN.
1. Toeken zooals in fig. 9. de plaats van een ster, wier
declinatie 40° Z. en wier rechte-klimming 200° bedraagt.
2. Teeken als boven de plaats der zon op 15 Juli, 4
October, 3 Maart. Wat is dan hare breedte ?