Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
een niveau horizontaal, dan geeft het verschil in aflezing
op den verticalen cirkel de hoogte.
Het azimuth wordt met de theodoliet gevonden, door
eerst het punt des horizontalen cirkels te zoeken, waarop
het instrument gesteld moet worden opdat de kijker in den
meridiaan geplaatst zij, en dan zoolang te draaien tot men
de ster ziet.
Het verschil in aflezing op den horizontalen cirkel geeft
het azimuth.
Het genoemde punt, het middagpunt genoemd, kan
gevonden worden door met de rechte-klimming en declinatie
van een fundamentaalster volgens § 10, het azimuth te be-
rekenen, en dan de kijker op die ster te richten, of wel door
op te merken, bij welke standen op den horizontalen cirkel
een zelfde ster voor en na hare culminatie eenzelfde hoogte
bereikt. Het gemiddelde van beide aflezingen geeft dan het
middagpunt van het instrument.
§ 18. Bepaling van geogr. lengte en breedte. Het is reeds
opgemerkt, dat men bij bijna alle waarnemingen de geografische
breedte en lengte van de plaats van waarneming moet
kennen. Voor de geografie en geodesie is een plaats-bepaling
natuurlijk ook de hoofdzaak, terwijl daarenboven de zeeman
zijn reis over den grooten oceaan niet zou kunnen volbrengen,
als hij niet in staat was, telkens deze grootheden te vinden.
a. Om de geografische breedte van een plaats te bepa-
len kan men op verschillende wijzen te werk gaan. Men
grondt zich daarbij altijd op de belangrijke stelling:
poolshoogte = geografische breedte.
a. In de eerste plaats maakt men met vrucht vau de
circumpolair-sterren gebruik.
Deze sterren gaan tweemalen boven den horizon door den
meridiaan, en, daar zij in beide gevallen even ver van de
pool afstaan, is de hoogte van de pool even veel kleiner
dan die van de ster in hare bovenste culminatie , als grooter
dan die van de ster in hare onderste culminatie. Het ge-
middelde dier beide hoogten is dus de hoogte van de pool
en gelijk aan de geografische breedte. Voor deze waarne-
mingen kan men zich zoowel van een meridiaan cirkel als
van een theodoliet en ook van een sextant bedienen.
Hoe onregelmatig de schijnbare beweging van de zon
ook zij, al hare bijzonderheden zijn door het aanhoudend on-