Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
Dit heeft aanleiding gegeven tot het invoeren van enkele
schrikkeljaren van 366 dagen. (Juliaansche periode.)
Later zag men dat er te veel schrikkeljaren werden bij-
gevoegd , het geen aanleiding gaf dat toen enkele werden
afgeschaft nl. die jaren welke wel door 100 maar niet door
400 deelbaar zijn. (Gregoriaansche periode).
§ 16. Meting der reclite-klimming en declinatie. Wij kunnen
nu overgaan tot het aangeven van enkele methoden van waar-
neming , waardoor de declinatie en rechte-klimming van een
hemellichaam worden gevonden. Stelt u voor een kijker, die
die, met een volkomen horizontale as, juist in den astrono-
mischen meridiaan is opgesteld. Deze kijker kan dan slechts
in dien meridiaan draaien en draagt daarom den naam van
meridiaankijker of passage-instrument. Eenige
verticale paralelle draden zijn in den kijker gespannen en
teekenen zich scherp op 't gezichtsveld af. De middelste
daarvan stelt nu juist de richting van den meridiaan voor.
Om te zien welke helling de optische as des kijkers heeft,
zijn aan de as waarom hij draait, groote fijn verdeelde
cirkels aangebracht, waarop met vast opgestelde microscopen
den stand wordt afgelezen. Zoo nu een bepaalde ster de
hoofddraad passeert, dan is zij in den meridiaan en de
sterretijd, die op dat oogenblik wordt afgelezen, geeft,
met 15 vermenigvuldigd, juist de rechte-klimming
dier ster aan. Het was immers O uur sterretijd, toen het
punt Aries dienzelfden draad voorbijging.
Verder is het duidelijk, dat, zoo men den stand des
kijkers op de verticale verdeelde cirkels heeft afgelezen,
op 't oogenblik dat de ster
juist in 't midden van de
hoofddraad was, en men daarna
nog eens afleest, zoo dekijker
met een niveau horizontaal ge-
steld wordt, men aldus nauw-
keurig demeridiaans hoogte
van de ster gevonden heeft.
H4Volgens nevenstaand figuur
echter, is er een eenvoudig
verband tusschen de hoogte van
een ster in den meridiaan en
hare declinatie. Men ziet dat:
mg. 18.