Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
stellen, die, even als de ware zon, langs de ecliptica zicli
beweegt maar dit doet op gelijkmatige w^ze; die denkbeel-
dige zon gaat dan met de ware gelijktijdig door 2 vaste
punten der ecliptica en is alzoo in haren loop volkomen be-
paald. Vervolgens neemt men een tweede denkbeeldige zon
aan, de middelbare zon genoemd, die in denzelfden tijd
als de ware oen omwenteling doet, maar met gelijkmatige
snelheid zich langs den equator beweegt en wel zoodanig,
dat zij mot de eerste denkbeeldige zon altijd gelijktijdig het
punt Aries passeert. Konden wij dezen middelbaren
zon zien, dan zou zij altijd na hetzelfden tijdverloop den
meridiaan passeeren; een middelbaren zonnedag is
dus altijd even lang; en ovenzoo de middelbare uren enz.
Daar die onderstelde zon verder nooit in haar loop veel
van dien van do ware verschilt, is zij zeer geschikt om
den burgerlijken tijd aantegeven. Men is dan ook in 't dage-
lijksche leven gewoon bij middelbaren tijd te rekenen, be-
ginnende bij het oogenblik dat het middelpunt der middel-
bare zon den meridiaan passeert, het tijdstip dat meji deu
middelbaren middag noemt, evon als de ware middag
het oogenblik is waarop de zon zelve culmineert.
In 't geheel kan men dus rekenen met:
s t e r r e t ij d
ware zonnetgd
middelbare zonnetijd.
Daar de sterretijd begint op 't oogenblik dat het punt
Aries den meridiaan passeert, bl^kt het, dat de uren op pag.
30 door t aangewezen, en voor de bepaling van den uur-
hoek noodig, juist den sterre-tijd van het oogenblik der
waarneming uitdrukken. Hieruit volgt dat men om, zooals
in § 10 is opgegeven, uit de declinatie en rechte-klimming
van een ster, hare hoogte on azimuth voor een bepaald
oogenblik op een bepaalde plaats der aarde te berekenen,
den sterretijd van dat oogenblik moet kennen.
Was gegeven dezelfde vraag of het omgekeerde er van
voor de zon optelossen, dan zou men moeten weten hoeveel
zonno-uren er verloopen zijn sints het punt Aries in den
meridiaan was, en derhalve, behalve do rechte-klimming
der zon, ook den waren zonnetijd voor dat oogenblik
moeten kennen.
Aldus ziet men in, dat het dikw^ls te pas komt om