Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
daaruit de rechte-klimming en declinatie of wel de astrono-
mische lengte en breedte.
Is de plaats van een punt des hemels bekend en wil
men weten waar men het op zeker oogenblik kan vinden,
dan weet men de rechte-klimming en declinatie of wel
de astronomische lengte en breedte en berekent daaruit
het azimuth en de hoogte. Hoe deze berekeningen mogelijk
zijn, is in § 10 aangewezen; hoe die verschillende coördinaten
bepaald worden zal nu voor ons een punt van onderzoek
uitmaken. Daar hierbij echter eenige kennis omtrent tijd-
rekening noodig is, zullen wij daarover eerst handelen.
Voor het meten van tijd heeft men noodig een bewe-
ging, die óf eenparig óf met uiterste nauwkeurigheid be-
kend is, en daarenboven een bepaald oogenblik, waarvan
men begint te tellen.
Dat een eenparige beweging het meest geschikt is, zal
iedereen toegeven en daarom heeft men ook een zoodanige
zoowel in de astronomie als in het dagelijksche leven
aangewend.
Daar de beweging der aarde om hare as ons een vooi-
beeld van eenparige beweging aanbiedt en deze zich afspie-
gelt in de schijnbar(! dagelijksche beweging der vaste
sterren, heeft men die ook in de sterrekunde als maat
voor den tijd aangewend.
Men noemt dan een s t e r r e-d a g den tijd, dien een vaste
ster noodig heeft om weer voor ons oog tot hetzelfde punt
des hemels terugtekeeren, b. v. dien welke verloopt tusschen
twee opvolgende passages van die ster door de astronomische
meridiaan. De sterre-dag verdeelt men in 24 sterre-uren
en deze in 6U minuten en 3600 secunden; het oogenblik
waarop men begint te tellen is dat waarop het punt Aries,
het lentepunt, dien meridiaan passeert. Iedere plaats
der aarde heeft echter een anderen astronomischen meridiaan,
dus zal het begin der tijdrekening voor iedere plaats anders
zijn en daarom op 't zelfde oogenblik de tijd van de eene plaats
niet dezelfde zijn als die van een andere. In 24 sterre-uren
doorloopt iedere vaste ster een cirkel van 360°, derhalve
zal in 1 uur een boog van 15° zijn afgelegd. Is dus op
een zeker oogenblik het lentepunt in den meridiaan van een
bepaalde plaats, dan zal het een uur later eerst den meridi-
aan passeeren van een plaats, die 15° westelijker ligt, d. i.