Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
Nu eens schijnen zij stil te staan, dan weder voort te gaan
in de richting van de dagelijksche beweging, dan weder
met meer of minder snelheid terug te loopen. Nu vindt
men ze in dat sterrebeeld, dan weder in een ander. Somtijds
is een van haar maanden lang onzichtbaar, om dan weder
maanden achtereen eiken avond te schijnen. Tot deze pla-
neten behoort o. a. Venus, die nu eens als avondster
het eerst van allen zichtbaar is, dan weder als m o r g e n-
stei eerst met de opkomst van de zon verdwijnt.
Somtijds ook vertoont zich aan den hemel een ster, met
een langen of korteren staart voorzien, die met groote
snelheid den hemel doorloopt, d. i. telkens na dat er weder
een dag verloopen is, op zeer verschillende punten des
hemels zich vertoont. Deze sterren noemt men kometen ,
staartsterren. Zij schijnen in den regel hoogstens
eenigo maanden, om dan gedurende geruimen tijd, voor
jaren of eeuwen b. v. onzichtbaar te blijven.
§ 15. Tijdrekening. Om de plaats van een ster aan den
hemelbol te kennen is het noodig om de rechte-klimming en
declinatie of wel de lengte en breedte er van te weten. Reeds
meermalen heb ik er op gewezen dat door de dagelijksche be-
weging van de aarde om haar as, de sterren ten opzichte
van onzen horizon telkens anders geplaatst zijn, maar hunne
ligging ten opzichte van den equator des hemels slechts
dan kunnen veranderen, als zij werkelijk telkens andere
punten aan den hemel innemen. Door de waarneming
van declinatie en rechte-klimming kan men eerst beslis-
sen of een ster een vaste is of een planeet, en verder
de schijnbare beweging der zon, maan en planeten be-
studeren.
De juiste bepaling van declinatie en rechte-klimming van
een hemellichaam is dus van het uiterste belang. Even
kenmerkend voor de plaats van een punt aan den hemel
?ljn de astronomische lengte en breedte, terwijl hoogte en
azimuth meer een voorstelling geven, hoedanig de ster ge-
legen is in dat gedeelte van den hemelbol dat wij op het
oogenblik der waarneming overzien.
Wil men uit de plaats, die wij een ster op een zeker oogen-
blik aan den hemel zien innemen, diegene opmaken welke zij
merkelijk beslaat, onafhankelijk dus van het draaien der
aarde, dan meten wij de hoogte en het azimuth en berekenen