Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
13 daardoor het zenith naar een ander punt des hemels ge-
keerd ; en eveneens moet dus de horizon, die altijd 90° van het
zenith moet afblijven, telkens anders over den hemelbol loopen.
De richting van een ster wordt dus op drie wijzen be-
paald: (spherische coördinaten.)
1° door declinatie en rechte klimming
2' door astronomische breedte en lengte
3° door hoogte en azimuth.
De beide eerste stellen van grootheden zijn vast en onver-
anderlijk, het derde stel is voor iedere plaats_ der aarde
en voor ieder oogenblik verschillend.
Het laatste coördinaten-stelsel schijnt dus in deugdzaam-
heid verreweg te moeten onderdoen voor de beide anderen,
maar, als men bedenkt dat de horizon ons van zelf wordt
aangewezen door den schijnbaren horizon die het zichtbare
van 't onzichtbare scheidt, terwijl het schietlood ons direct
het zenith aanwijst en de magneetnaald het Noorden, dan
begrijpt men wel, dat juist het laatste stelsel van coördi-
naten het gemakkelijkst is te bepalen, en daarenboven de
beste voorstelling geeft van het voorkomen des hemels.
Weten wij b. v. dat de hoogte van een ster 40° en Let
azimuth 60° Oost, dan kunnen wij haar veel beter aan
den hemel vinden, dan wanneer de lengte en breedte
of de declinatie en rechte klimming gegeven wa-
ren. De loop nl. van equator en evenaar wordt ons door
niets duidelijk aangewezen, evenmin de plaats van het punt
Aries en der polen. Alleen voor de noordpool des equator s
bestaat hierop een uitzondering, daar de bekende p o ol-
ster in hare onmiddellijke nabijheid geplaatst is, maar
dat is niet voldoende om een ster aan den hemel op te
sporen, als declinatie en rechte klimming gegeven
zijn.
§ 10. Verandering der Coördinaten. Het is van veel be-
lang dat men van het eene coördinaten-stelsel op 't ander
kan overgaan, d. w. z. dat men breedte en lengte weet te
vinden als declinatie en rechte klimming gegeven zijn en
omgekeerd ; of ook declinatie en rechte klimming als hoogte
en azimuth bekend zijn en zoo vervolgens.
Om lengte en breedte van een ster te vinden als decli-
matie en rechte klimming bekend zijn, heeft men slechts
in {fff. 9) den spherischen driehoek PPS na te gaan, die