Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Is de as der aarde van de zon afgekeerd, zooals in fig. 6,
dan is de zuidpoolcirkel geheel in 't licht en de noordpool-
cirkel in 't donker. Op het zuidelijk halfrond is 't zomer,
op 't noorder halfrond winter. De plaatsen die nu voor
een oogenblik de zon vlak boven hun hoofd hebben, liggen
op de parallelcirkel DD", welke op 23«° Z. B. ligt, en de
steenbokskeerkring genoemd wordt.
Ook deze verschijnselen vindt men werkelijk op die breedte,
een nadere bevestiging dus van de onderstelling, dat de hel-
ling van de as juist 66^° is.
Kortom, alle verschijnselen die zich op alle plaatsen der
aarde met betrekking tot de wisseling der jaargetijden
voordoen, worden gemakkelijk verklaard uit de eenvoudige
onderstelling, dat de aarde om de zon draait in een baan,
waarop de as onder een hoek van 66^° helt. Bij die
verklaring moet men echter noodzakelijk aannemen, dat
de as der aarde evenwijdig aan zich zelf blijft, maar dat
zal niet moeielijk te gelooven vallen, als men leest wat
omtrent de slingerproef van Poucault gezegd is. Die
evenwijdige verplaatsing van de as dankt de aarde aan hare
omwenteling zelve. Dit is wederom een reden, om de ver-
klaring van 't ontstaan der jaargetijden door de genoemde
beweging van de aarde om de zon als een zeer natuurlijke
en eenvoudige aan te nemen.
Intusschen zouden alle daartoe behoorende verschijnselen
even goed opgehelderd zijn, indien de aarde stil stond en de
zon zich in de ecliptica om de aarde bewoog. Er dient dus
nog beslist te worden, welke van die twee onderstellingen
de juiste is, en dit is door Bradley geschied, toen hij de
aberratie van 't licht ontdekte.
Het licht plant zich door de ruimte voort met een snel-
heid, die door Pize au Poucault en C or nu is gemeten. Zij
is ongeveer 300 millioen meters por seconde. Deze snelheid
is zoo ontzachelijk groot, dat in den regel alle anderen daarbij
wegvallen. Onderstelt men echter dat de aarde in hare baan
om de zon een snelheid bezit, die eenigszins met die van 't licht
vergeleken kan worden, dan moeten, omdat de aarde zich
verplaatst terwijl het licht nadert, de sterren zich op een
andere plaats vertoonen dan zij werkelijk ziju.
Om dit in te zien, ga men aldus te werk. Veronderstel
dat men door een nauwe buis naar een ster ziet, dan is