Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
kleine bollen 2 zeer zware looden of ijs^ren kogels , dan
zal, daar de aantrekkingskracht een algemeene eigenschap
is, de horizontalen slinger gaan schommelen onder den in-
vloed van de aantrekking dier groote kogels. Het aantal
schommelingen, alsdan verricht per minuut, staat in een
nauw verband met de grootte dier aantrekking „ is nl. even-
redig met de wortel daaruit. Schommelde dezelfde stang
in een verticaal vlak onder de werking der zwaartekracht,
dan zou hij veel meer schommelingen per minuut verrichten.
Uit de verhouding van het aantal schommelingen in beide
gevallen bepaalt men die welke tusschen de aantrekking dier
bollen en die van de aarde bestaat en deze laatste aantrek-
kingen verhouden zich zelve weder als de massa's der ko-
gels aan de eene zijde en van de aarde aan den anderen
kant. De massa van de kogels is bekend, dus kan die van
de aarde berekend worden.
Deze proeven met uiterste zorg genomen, geven als ge-
middelde uitkomst voor de dichtheid der aarde, het boven-
genoemde getal
5.6.
§ 8. Beweging om de zon. Door het draaien van de aarde
om hare as wordt de afwisseling van dag en nacht ver-
klaard. De zon nl. verlicht, daar zij nagenoeg evenwijdig
licht uitzendt, van de bolvormige aarde de helft. De af-
scheiding van licht en duister vormt dus een groote cirkel,
die de parallelcirkels en de equator snijdt in twee stukken ,
waarvan het een de dagboog en het andere de nacht-
boog wOrdt genoemd. Door het draaien nu komt elk
deel der aarde op zijn beurt op do dagboog' om eenigen
tijd later aan den anderen kant weder in het duister te
treden.
Hierdoor wordt echter niet verklaard, waarom voor een
zelfde plaats der aarde het nu eens lang en dan weder kort
dag is, waarom de zon voor die plaats nu eens b. v. te 4
uur en dan weder te 8 uur 's morgens opkomt; met andere
woorden de afwisseling der jaargetijden vinden geen
opheldering in het draaien van de aarde om haar as.
Al de samengestelde verschijnselen, die zich daarbij voor-
doen, vinden echter een eenvoudige verklaring, indien men
aanneemt dat de aarde behalve hare beweging om een as,
nog een tweede beweging heeft, nl. om de zon en wel