Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
De opgegeven getallen nagaande, en ons herinnerende wat
men volgens Bernstein al zoo in een kist van een kubieken
kilometer inhoud bergen kan, komt men tot een voorstel-
ling van de grootte der aarde die wij bewonen. Dan be-
grijpt men ook dat, ten opzichte van dezen grooten bol, de
hoogste berg van nog geen 11000 meters geheel op den
achtergrond treedt; want, zoo wij geheel naar proportie
de aarde gingen verkleinen tot zij een bol van 1 meter
straal geworden was, zou de berg nog slechts milli-
meter hoog zijn.
§ 7. Massa der aarde. Niet alleen heeft men de aarde
gemeten, men heeft haar ook gewogen, of liever men
heeft de massa der aarde weten te bepalen.
De meest waarschijnlijke berekeningen geven daarvoor
6 quadrillioen kilogram,
wat beteekent dat een kracht vau 6 quadrillioen kilo-
gram noodig zou zijn om de aarde een dergelijke beweging
te geven als een vrij vallend lichaam door de aantrekking
der aarde verkrijgt.
Als gemiddelde dichtheid vond men het getal, 5,6, een
getal dat bijzonder groot moet vborkomen als men in aanmer-
king neemt de groote hoeveelheid water en klei en zand, die
op aarde voorkomen en veel kleiner soortelijk gewicht hebben.
Op verschillende wijzen is men er in geslaagd de massa
der aarde te vinden.
Het eerst geschiedde dit door Maskelync en Hut-
ton in 1774 bij den berg Shehallian in Schotland en
wel op grond van de volgende beschouwing.
De zwaartekracht, waardoor de lichamen naar 't middel-
punt der aarde worden getrokken, moet men zich niet
voorstellen als alleen in dat middelpunt te huisvesten.
Neen, alle deeltjes der aarde oefenen een aantrekkings-
kracht uit op alle deeltjes der omringende voorwerpen en
alleen door de samenstelling van al die krachten verkrijgt
men het resultaat, alsof op het zwaartepunt van elk
lichaam een kracht werkt, uitgaande van het zwaartepunt
van de bolvormige aarde, d. i. het middelpunt.
Zoo nu de aantrekking in alle deelen der aarde gelegen
is, dan moet door locale omstandigheden, b. v. door de
nabijheid van een grooten berg, de richting dier resultante,
dus ook die van het schietlood een kleine afwijking ondei- •