Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
189
Hoe men de beweging der zon beeft weten aante-
wijzen, is moeielijker op te helderen. Toen men de eigen
beweging der vaste sterren ontdekt had, lag het voor de
hand, een dergelijke beweging ook voor de zon aantenemen.
De verplaatsing der sterren zou dan gedeeltelijk schijnbaar
zijn. Maar hoe nu de beide deelen waaruit de waargeno-
men verschuiving dan bestaat, van elkander te scheiden?
Hoe aan te wijzen welk deel op rekening komt van de be-
weging der zon ?
Men begrijpt licht, dat dit niet met volkomen zekerheid
kan worden uitgerekend, maar dat men zich moest verge-
noegen met een zekere waarschijnlijkheid, gegrond op den
aard van het verschijnsel, dat zich bij een beweging der zon
moet voordoen en dat boven is beschreven.
Daar komt nog bij dat men niet alleen omtrent de richting
maar ook omtrent de snelheid van de zon in 't onzekere verkeer-
de, zoodat twee onbekenden tegelijk moesten worden bepaald.
Verder stuitte men ook nog op de zwarigheid dat de
afstand der meeste vaste sterren volstrekt onbekend is.
Dit is genoeg om iedereen te doen inzien dat het vraag-
stuk niet alleen moeielijk was, maar ook nooit tot een stel-
lige uitkomst kon voeren.
De eerste die het bedoelde vraagstuk ontwierp en oploste
was de oude Herschell, welke op die wijze bevond dat waar-
schijnlijk de zon zich met het geheele planetenstelsel bewoog
in de richting van het sterrenbeeld Hercules. P r e v o s t,
die in 't zelfde jaar dezelfde berekening maakte, kwam tot
een uitkomst die daarvan weinig verschilde. Later heeft A r-
gelander hetzelfde werk verricht, zich grondende op de
eigen beweging van 390 sterren , vervolgens L u n d a 11 met
behiüp van 319 en daarna St ruve met gebruikmaking van
de waarnemingen van 392 sterren. Eindelijk heeft Gallo-
way nog eens denzelfden arbeid opgevat, terwijl hij ook de
sterreu van het zuidelijk halfrond in rekening bracht. Al
deze berekeningen stemmen op verwonderlijke wijze over-
een, en daardoor wordt de waarschijnlykheid zeer ver-
meerderd , die er voor een eigen beweging der zon bestaat.
De richting der zon is dus ongeveer naar het midden
van Hercules, met een snelheid, die, wanneer men met
Struve de parallaxis van een ster van de eerste grootte
= 0",209 mag aannemen, ongeveer wordt: