Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
188
Cm de grootte er van te berekenen zou men de verticale
vorm van onze kusten tot op den bodem der zee met meer
nauwkeurigheid moeten weten, dan nu het geval is.
§ 52. Eigen beweging van het zonnestelsel. Wij hebben
iu den loop van dit hoofdstuk onze vroegere denkbeelden
eenigszins moeten wijzigen.
De equator en de ecliptica, die wij in Hoofdstuk II
als vaste cirkels aan de hemel hebben voorgesteld, blijken
nu aan verplaatsingen onderhevig te zijn. Beide schom-
melen op en neder en snijden elkander telkens in andere
punten. Het gevolg daarvan moet zijn dat, na verloop van
tijd de declinatie en rechte-klimming der vaste sterren
moet veranderen. Daar wij nu in Hoofdstuk II gevonden
hebben, dat die sterren circumpolair zijn , wier declinatie
het complement van de geografische breedte der plaats is,
moet ook na eeuwen het aantal circumpolair sterren ver-
andeven. Reeds vermeldde ik verder dat de poolster niet
altijd in de nabijheid van de pool des hemels kan blijven.
Het geheele voorkomen van den sterrenhemel moet dus in
den loop der eeuwen veranderen. Daarbij komt nog dat
de meeste vaste sterren een eigen beweging hebben, die voor
al de leden van een zelfden sterrenbeeld niet even groot is.
Het kan dus niet anders of na duizenden van jaren moeten
de sterrenbeelden zelve een geheel ander voorkomen hebben
verkregen.
Nog grooter veranderingen zijn in het voorkomen des he-
mels te verwachten, nu men met groote waarschijnlijkheid
heeft aangetoond dat de zon zelve met het geheele planeten-
stelsel zich in de ruimte voortbeweegt.
Hiervan moet het gevolg zijn, dat de sterren die wij
rechtstreeks ontloopen, elkander schijnen te naderen, en
dat die, naar welke wij heen snellen, schijnen uiteen te wijken.
Om dat in te zien, behoeft men zich slechts twee reien
boomen voor te stellen op grooten afstand evenwijdig aan
elkander. Zoo men nu van het midden tusschen beide
reien in, zich beweegt naar de eene toe, dan zal men de
boomen van deze rei elkanders afstand zien vergrooten ter-
wijl die van de andere naar elkander toe schijnen te komen.
De sterren verder, die zich in een richting bevinden, lood-
recht op die welke de zon inslaat, zullen zich met dezelfde
snelheid, die de zon heeft, achteruit schijnen te bewegen.