Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
179
grootst zijn, daar over de geheele voorafgaande 90° óf
winst óf verlies heeft plaatsgehad. Derhalve zal juist in
de octanten de ware lengte het meest vau de middelbare
verschillen, terwijl in de syzygien en de kwadraturen beiden
gelijk zullen zijn. Dit verschijnsel is gemakkelijk waarte-
nemen, daar het verschil 1°4' bediaagt. Zooals boven werd
vermeld, heeft reeds Aboul Wefa het opgemerkt.
De evectie geeft een nog grooter verschil in de ware
en de middelbare plaats der maan, daar deze ongeveer 1°20'
bedraagt.
Zij ontstaat door de verandering in de excentriciteit van
de maanbaan, die wij in 't vorige als cirkelvormig aanna-
men, maar, zooals men weet, eigenlijk reeds een ellips is.
Ook oefent daarop een grooten invloed de verplaatsing
van de groote as, die in 9J jaar een geheelen kring van
360° doorloopt.
Bij bovenstaande redeneering is voorondersteld dat de
afstand der zon zoo groot was, dat hare aantrekking op
de maan in alle punten van de baan even groot kon gesteld
worden. Dit is echter niet het geval, daar de zon bij nieuwe
maan ongeveer ^^^ van haren geheelen afstand dichter
bij is dan bij volle maan.
Hierdoor nu ontstaat een andere kleine ongelijkheid in de
beweging der maan, onafhankelijk van de variatie, welke
men deparallaktische vereffening noemt; deze klimt tot
niet meer dan 2' op en keert iederen maand weder terug.
Verder is de loopbaan der aarde om de zon zelve ellip-
tisch en bij onze beschouwingen moeten wij dus de zon
eigenlijk in een groote ellips laten rondgaan. Haar afstand
tot ons en tot de maan is dus niet altijd even groot, en
evenmin hare aantrekking. Hetzelfde is hot geval met de
radieele en tangentieele krachten, en zoo ontstaat wederom
een kleine onregelmatigheid in do beweging der maan, die
daar zij binnen een jaar weder tot hetzelfde bedrag terug-
keert, de jaarlijksche vereffening wordt genoemd.
De grootste waarde daarvan bedraagt 10 a 11 minuten.
Wanneer oen jaar juist een vol aantal omwentolingtijden
der maan (lunaties, maanden) bevatte, dan zou telkens
na een jaar de jaarlijksche vereffening volkomen tot het-
zelfde bedrag terugkeeren.
Maar er zijn in een jaar 12 lunaties en nog een gedeelte,
10*