Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
in A = /R cos X
ÄB
3/ß C0S2(P.
De resulteerende versnelling voor een vrij vallend lichaam
ï is dus , nu de aarde draait:
in E=y —/R
in —/Kcos' <r.
Het verschil tusschen beide grootheden is dus :
/R (1 — cos2 f) =/R cos» V.
Wanneer dus de aarde draait moet de versnelling
van een vrij vallend lichaam van den evenaar
naar de poïen toenemen met verschillen, die
evenredig zijn met de kwadraten van de sinus-
sen der geografische breedte (<))). Dit is ook wer-
kelijk op weinig oa het geval, zooals bljjkt uit de volgende
tabel. Gaarne laten wij aan den leerling over te onder-
zoeken , in hoever deze getallen aan genoemde wet voldoen.
te St. Thomas
te ünst
te Spitsbergen
te Parijs
Kaap de Goede Hoop
Duinkerken
<p.
0°25'N
60°45'N
79°50'N
48°50'N
3'i°b5'Z
51° 2'N
9-
9.78178
9.81928
9.83014
9,80862
9.79656
9.81138
c. ledor lichaam dat om een as draait of schommelt, ver-
krijgt daardoor, en wel eveneens wegens de traagheid,
het vermogen om die as een vasten stand te bezorgen, waar-
uit zij slechts met meer of minder moeite te brengen is.
Ten bewijze hiervan behoeft men slechts te denken aan de
zoogenaamde toovertollen, welke bij 't ronddraaien in stan-
den kunnen geplaatst worden, waarin zij anders niet zouden
kunnen volharden.
Ieder deeltje van die tol draait in een eigen vlak, uit
welke het zonder krachtsinspanning niet te brengen is.
Evenzoo is het ook met een slinger, die eenmaal in een vlak
aan 't schommelen gebracht, zal trachten daarin te blijven.
Van die eigenschap heeft Poucault gebruik gemaakt
om het draaien van de aarde zichtbaar te maken.
Volgens de definitie, aan het einde van § 3 gegeven , is in
Fig. 4 de richting van het Noorden in het punt A der aarde
de raaklijn AP aan den meridiaan van A getrokken. Zoo nu