Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
173
3°. Omdat zij het mogelijk maken, de plaats der planeten
aan den hemel vooruit met nauwkeui-igheid aan te wijzen, en
aldus deze dwaalsterren gemakkelijk te bestudeeren en ze
aan te wenden als vaste sterren.
Een oogenblik willen wij ons nog bezig houden met de schit-
terende ontdekking van Neptunus door Leverrier en Adams.
Hieromtrent is op pag. 154 vermeld, dat de ontdekking
het gevolg was van de zucht om tot een verklaring te
komen van de storingen in de beweging van Uranus.
Toen deze planeet in 1781 was ontdekt, en.eenigen tijd
opmerkzaam waargenomen, was men in staat terug te
rekenen naar verleden tijden en te onderzoeken of enkele
sterren van dezelfde schijnbare grootte, in oude sterrelijsten
opgegeven en in nieuwere als vermist beschreven, niet
soms die planeet waren geweest.
Aldus bleek het dat Uranus 6 maal gezien was door
Flamsteed, eens door Bradley en niet minder dan
12 malen door Le Mo n nier.
Daar deze sterrekundigen van behoorlijke instrumenten
tot meting voorzien waren, was het redelijkerwijze te ver-
wachten, dat die oudere waarnemingen passen zouden bij
de nieuwere. Dit bleek echter niet het geval te zijn.
Evenmin stemden de elementen door B o u v a r d, alleen
uit de nieuwere observaties berekend, overeen met de plaats,
die de planeet later innam. Nu eens was zij vooruit ten
opzichte van de berekende plaats, dan weder kwam zjj
achter aan.
Zeker is dit gebrek van waarneming en berekening voor
een goed deel aan fouten in de waarnemingen toe te schrijven,
maar men zag spoedig in, dat het niet aanging, het geheel
hierop te schuiven.
Beter leek het te onderstellen dat de genoemde afwijkin-
gen het gevolg waren van storingen, die in de beweging van
Uranus teweeggebracht werden door een tot nog toe onbe-
kende planeet, welke zich buiten Uranus bevond.
Aldus kwamen Leverrier en Adams, ieder geheel onaf-
hankelijk van elkander, op het denkbeeld, het vraagstuk
der storingen om te keeren en dus het volgende te stellen :
Gegeven de storingen, die een zekere planeet ondergaat,
daaruit te berekenen de loopbaan en de plaats van de pla-
neet, die de storingen veroorzaakt.