Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
verandert. Op 't oogenblik nadert daarbij de ecliptica den
evenaar , maar na een groote reeks van jaren zal lioeh Aries
weder toenemen en wel zoodanig dat de grootste uitwg-
kingen aan weerskanten van den gemiddelden stand min-
der dan 1021'
bedraagt.
De verplaatsing van het punt Aries bovengenoemd is ook
zeer gering en voegt zich bij een dergelijke verplaatsing, uit
een geheel andere oorzaak voortspruitende (precessie).
Verder neemt de excentriciteit der aardbaan slechts met
een klein gedeelte van haar bedrag af, nl.:
0,00004 in een eeuw,
terwijl de plaats van het perihelium ook maar met
19'39" per eeuw
veranderd wordt.
Eindelijk schijnt de groote as nagenoeg dezelfde lengte te
behouden, en eveneens is het ongeveer met den duur van
het jaar. Alleen is het aan Airy gelukt een kleine onre-
gelmatigheid in de middelbare beweging der aarde aan te
wijzen, die slechts tot een paar secunden oploopt en te
wijten is aan den störenden invloed van de planeet Ve-
nu s. Deze onregelmatigheid heeft een periode van 240
jaar, binnen welke zij weder tot hetzelfde bedrag terugkeert.
Zij zou te gering zijn om vermelding te verdienen, in-
dien Hansen niet had aangetoond dat daaruit een meer
merkbare verandering ontstond in de beweging der maan.
In 't geheel zgn wij dus omtrent de veranderingen der
aardbaan gerustgesteld. Nergens is hier verder een oor-
zaak tot ongerustheid. Het eenige wat lastig kan ge-
noemd worden is; dat de astronomen de ecliptica niet meer
als vast mogen beschouwen maar, bij de opgave van astro-
nomische breedte, het jaar moeten vermelden waarvoor die
bedoeld is.
Voor de overige planeten acht ik het overbodig de ver-
schillende grootte der storingen op te geven. Genoeg zij
het dat zij zeer gering zijn en dat hare kennis voor de
astronomie voornamelijk van belang is:
1°. Omdat zij ieder voor zich een schitterende bevestiging
zijn van de wetten van Newton.
2°. Omdat zij het meest geschikte middel zijn tot de be-
paling der massa's.