Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
lioek « = ^ABO wijst den hoek aan waaronder de ver-
lengde as der aarde op den horizon helt en, daar hij gelijk
^AOE is, omdat de beenen, loodrecht op elkander staan,
vindt men de volgende waarheid:
De verlengde as der aarde helt op den horizon
van een willekeurige plaats met een hoekgelijk
aan de geografische breedte dier plaats.
§ 4. Bewij/en Toor de aswenteling. Dat de aarde om hare
as wentelt wortlt verder bewezen:
a. door de richting der passaatwinden; *
h. door den invloed van de middelpuntvliedende kracht
op den val der lichamen;
c. door de slingerproef van Poucault.
a. De gemiddelde jaarlijksche temperatuur is "onder den
equator veel hooger dan bij de polen. Uit natuui-kundige
gronden moeten daarom in den dampkring luchtstroomen
ontstaan, die op 't noordelijk halfrond een zuidelijke, op
't zuidelijke een noordelijke richting hebben. Dergelijke lucht-
stroomen vindt men ook werkelijk tusschen de keerkrin-
gen, nl. de passaatwinden, doch zij hebben niet de
theoretische richting van Zuid en Noord maar wijken
naar 't westen af, zoodat zij Noordoost- en Zuid-
oost passaat genoemd worden. Deze westelijke afwij-
king nu wordt eenvoudig verklaard uit de omwenteling
der aarde.
De luchtdeeltjes nl. die van de polen naar den equator
stroomen, komen op plaatsen waar de lineaire snelheid van
het westen naar het oosten grooter is dan daar waar zij
vroeger waren. Zij blijven telkens achter en moeten daarom
een westelijke afwijking verkrijgen.
b. Alle lichamen, die om een as draaien, verkrijgen we-
gens de traagheid middelpuntvliedende kracht, en wel bij
gelijken omwentelingstijd en massa, des te meer naarmate de
straal grooter is van den cirkel die zij doorloopen. Dat
blijkt uit de volgende proef:
Een horizontale stang is om een as draaibaar; twee even
zware kogels m en m' zijn op dien stang verschuifbaar en
door een koordje verbonden.
Is nu m! verder van de as dan m dan trekt hij bij snelle
omdraaiing m met zich mede naar het uiteinde.
Is de afstand van ra' tot de as 2malen grooter dan die