Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
157
meest telescopische kometen ontdekt. De meest bekende
zijn reeds vroeger vermeld.
Alleen de grootere zijn van staarten van aanmerkelijke
lengte voorzien, maar toch vertoonen ook de kleinere, ge-
durende hunne nadering tot de zon, die met groote snelheid
plaats vindt, een zekere uitrekking, evenals de grootere
op het tijdstip dat hare staart gevormd wordt. Want
deze schijnen geen voortdurend aanhangsel der komeet
te zijn, maar slechts in de nabijheid der zon te ont-
staan, evenals zij ook verdwijnen bij de daarop volgende
verwijdering.
Deze staart is ook bij de grootere kometen niet altgd
waargenomen. Die van 1585 en 1763 vertoonden geen spoor
er van. In dat geval is toch altijd nog aanwezig wat men
noemt het haar van de kometen waaronder men het flauwe
licht verstaat, dat de kern omgeeft. Aan een andere kant
ontbreekt het niet aan voorbeelden van kometen met meer
dan een staart. Die van 1744 had er niet minder dan zes,
uitgespreid als een enorme waaier, die zich tot bijna 30°
in lengte uitbreidde.
Zonder onderscheid zijn de staarten van alle kometen van
de zon afgekeerd, soms in een rechte lijn, meermalen in
een flauwe bocht, die de sierlijkheid er van zeer verhoogt.
Vooral de komeet van Donati vertoonde de buiging zeer
duidelijk.
De richting der staart is, ik herhaal het, zonder uit-
zondering altijd van de zon af.
Daaruit volgt dat dit zonderling aanhangsel bij hare
nadering tot de zon juist aan de andere kant der komeet
is, dan bij de verwijdering; dat de staart dus in beide
gevallen niet hetzelfde deel der komeet wezen kan.
Alle theorien, omtrent den aard dier hemellichamen, die
stilzwijgend aannemen, dat de staart altijd achter den eigen-
lijken kern aankomt, zijn dus noodzakelijk valsch; want
bij de verwijdering van de zon gaat zij in de beweging
vooraan.
Om die reden moet de onderstelling verworpen worden,
dat de meteoorsteenen stukken zijn van de komeet,
die haar op hare baan achterna ijlen en zoo de staart vormen.
Het verband tusschen beiden is wel uiterst waarschijn-
lijk, maar da aard er van is nog niet gevonden.