Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
de equatoriaal-banden wel met onze stiltegordels overeen-
komen. Men helt er meer toe over, om ook deze planeet
als geheel verschillend van de anderen te beschonwen en
werkingen daarop te onderstellen, welke meer overeenkomen
met die, welke men op de zon wnarneemt.
De spectroscoop kan daar omtrent nog veel leeren.
6. De planeet Uranus, hoewel nog 75 malen grooter
dan onze aarde, vertoont zich wegens haren grooten af-
stand, slechts al een ster van de 5" of 6« grootte.
Vandaar dat zij eerst in 1781, en wel door den ouderen
Herschell werd ontdekt. Haar schijf verraadt een geringe
afplatting, die op iets meer dan j'j wordt geschat.
Men heeft er echter geen duidelijke vlekken of zoo iets
op kunnen bespeuren, zoodat de omwentelingstijd en de
stand van de as niet met zekerheid zijn op te geven.
Herschell meende dat die as, zonderling genoeg, zou liggen
in het vlak der loopbaan zelve, en dit is onlangs beves-
tigd door den sterrekundige Buffham, die redenen aan-
voert , waarom de helling van de as op 10° en de omloops-
tijd op 12 uur mag gesteld worden.
Zoo dit juist is, dan zou op Uranus in de lente en de herfst
dag en nacht bijna overal gelijk zijn, terwijl in den zomer en
den winter de eene helft een dag van 2-1: uur en de anderen een
even lang nacht zou hebben. Van een verdeeling in tropische,
gematigde en koude gewesten zou als dan geen sprake zijn.
De trawanten van Uranus worden opgegeven ten getale
van VIII, maar slechts van N°. I, II en VIII die door
Lassell enLamont ontdekt zijn, en N°. IV en VI, welke
Herschell het eerst waarnam , is het bestaan boven twijfel
verheven.
De omloopstijden der bekenden satellieten zijn
N'. I. W. II. IV. N°. VI. W. VIII.
2.5; 4.1, 8.7; 13.5; 107.7 dagen.
Vreemd is het dat hare bewegingen juist in tegengestelde
richting plaats hebben, als die van de planeet.
Dat Uranus van een dichten dampkring is omgeven, be-
wijst het eigenaardige spectrum, dat zij geeft.
Men vindt bij haar niet eene eenvoudige herhaling van
het zonnespectrum, maar eon spectrum met enkele zware
tot banden verbreede absorptie-strepen, wier oorsprong
nog in 't onzekere ligt. Hier valt dus nog sterker op dan