Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
144
in de zonnestralen verseliuilt, en daarom moeielijk is waar
te nemen, is onze kennis van haar zeer gering. Iets wat
duidelijk valt op te merken, is, dat Mercurius dergelijke
schijngestalten vertoont als de maan. Nu eens vertoont
zij zich vol, dan half en dan weder sikkelvormig. De
verklaring van die phasen is niet moeielijk.
Bij onze beschouwing van de ware beweging der planeten
hebben wij opgemerkt dat de binnenplaneten zich sneller
bewegen dan de aarde. Men kan dus onderstellen dat de
aarde stil staat en Mercurius zich met 't verschil der beide
snelheden om de zon wentelt. Als dan bezien wij de pla-
neet altijd uit het zelfde punt, terwijl zij zelve in een kring
om de zon gaat. Nu is alleen verlicht de helft der planeet
die naar de zon is toegekeerd, maar deze zelfde helft kan
nu niet ten allen tijde ook juist naar de aarde gewend
zijn; van daar evenals bij de maan schijngestalten.
Of Mercurius een dampkring heeft is niet zeker.
Schröter merkte vlekken op die planeet op, die zich
schijnbaar verplaatsten en leidde daar uit af, dat zij in ruim
24 uur om een as wentelt, die ongeveer een hoek van 40°
met hare loopbaan vormt.
Die kleinere helling der as zal, verbonden met de grootere
nabijheid der zon en de kortere duur van het jaar, aldaar
geheel andere en snellere afwisseling van jaargetijden teVeeg
brengen dan hier.
2. Niet veel meer weet men van do schoone avondster,
de planeet Venus. Dit moet vreemd klinken daar men weet
dat zg ten minste van tijd tot tijd alle andere sterren, zelfs
de kolossale Jupiter, in lichtglans overtreft, en maanden
lang ongestoord aan den westelijken hemel zichtbaar is.
Maar juist die sterke lichtglans, dien zij tentoonspreidt,
is hier het bezwaar. Wanneer men een kijker naar haar
richt, dan schittert hare schijf met zulk een ondragelijken
glans, dat men meent naar een wit gepleisterde muur te
zien, waarop de zon met al hare macht schijnt.
Alle bijzonderheden worden onzichtbaar tegenover dat
allesbedekkonde licht.
Wat echter weder direct merkbaar is, dat zijn de schijn-
gestalten , die Venus, als binnenplaneet, even goed als Mer-
curius vertoont. Deze schijngestalten en daarbij de groote
verandering in afstand tot ons, zijn de oorzaken van de