Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
143
Nauwkeurige metingen, daaromtrent met den micrometer
in 't werk gesteld, hebben echter boven twijfel verheven,
dat geene afplatting merkbaar is.
Wegens de betrekkelijk groote nabijheid van onzen wachter
en zijn gebrek aan een absorbeerenden atmospheer zou men
onderstellen dat hij ons een kennelijke hoeveelheid warmte
zal toezenden.
Dit wordt echter niet door de ondervinding bevestigd,
daar men de grootste moeite heeft gehad, om met behulp
van kolossale brandspiegels of brandglazen en van uiterst
gevoelige thermometers, een spoor van maansvarmte op te
merken. Alleen is het tot nog toe gelukt met den grooten
telescoop van Lord Rosse. Als men die reusachtige spiegel
naar de maan richt, dan vindt men in het brandpunt, met
behulp van een thermo-multiplicator, duidelijke aanwijzing
van verwarming.
Hoewel de maanwarmte dus uiterst gering is, ontbreekt
zij niet geheel, zooals men vroeger dacht.
Zij is echter zoo verbazend klein, dat een directe in-
vloed, daardoor op de weersgesteldheid in onzen dampkring
uitgeoefend, zeer moeielijk te begrijpen valt.
Wat het licht der maan aangaat, de sterkte daarvan heeft
Wollaston direct met de zon vergeleken. Bij volle maan
vond hij daarvoor:
ÏÏÏTÏÏTÏ
De uitkomst van de proeven van Zöllner leverde voor
dat getal op ^Ts'ïïTnr-
Even als de zon, maar niet zoo duidelijk, schijnt ook de
inaaneen magnetischen invloed op de aarde uit te oefenen,
daar men verband heeft meenen op te merken tusschen
den stand der maan en de dagelijksche schommelingen van
de magneetnaald.
§ 45. Sadere beschonwing der planeten. Laat ons nu zien wat
nadere waarnemingen geleerd hebben omtrent de planeten.
Wij willen die behandelen in de volgorde van hunnen
afstand tot de zon, maar daar omtrent het wezen der kleine
planeten die tusschen Mars en Jupiter gelegen zijn, weinig
of niets bekend is, ons alleen met de zoogenaamde groote
planeten bezig houden.
1. Omtrent Mercurius kunnen wij kort zijn. Daar dezo
planeet wegens har^ nabijheid tot de zon zich bijna altijd