Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
noorden en dan weder bezuiden van dat vaste deel voor
den dag komen. Men noemt dit verschijnsel, libratie in
breedte, omdat de maan schijnt op en neer te schom-
nielen in haar baan. Deze schijnbare schommeling nu kan
nergens anders van daan komen, dan dat de as der maan
niet loodrecht staat op het vlak harer baan.
Door een dergelijken stand van de as der aarde ten op-
zichte van hare baan hebben wij immers het ontstaan der
jaargetijden verklaard; past men nu die zelfde redenee-
ring op de maan en de aarde toe, dan blijkt gemakkelijk
dat wij wegens dien schuinen stand der maan-as werkelijk
een dergelijk verschijnsel als de libratie in breedte moeten
waarnemen.
Uit de grootte dier schijnbare schommelingen kan men
verder de helling der maan-as op het vlak van hare baan
bepalen. Deze helling werd gevonden.
i = 83°22'27".
Men heeft opgemerkt dat ook links en rechts van
jet gedeelte dat men altijd ziet nog beurtelings andere
deelen merkbaar worden. De maan heeft dus nog een
overlangsche schommeling, libratie in lengte.
Deze kan nergens anders uit voortspruiten, dan hier-
uit, dat de beweging der maan om hare as niet volkomen
op dezelfde wijze plaats heeft als die om de aarde. Dit nu
is werkelijk het geval; beide bewegingen geschieden wel in
denzelfden omwentelingstijd, maar in de onderdeelen daarvan
verschillen de doorgeloopen Wegen, daar de beweging om de
as eenparig is en die in de baan de 2" wet van Keppler
volgt, dus bij de gi-ootste kromming der baan het grootste
is. Nu eens is dus de aswenteling sneller dan de beweging
om de aarde en dan weder langzamer; vandaar de libra-
tie in lengte. Men begrijpt toch dat men alleen dan
altijd hetzelfde deel der oppervlakte zou zien, indien op ieder
oogenblik de snelheid in beide bewegingen precies even
groot ware.
In 't geheel krijgen wij dus van de maan iets meer dan
het halve oppervlak te zien, terwijl het overige'gedeelte
voor ons voortdurend onzichtbaar blijft.
Nu wij weten dat de maan om een as draait, kan de
vraag bij ons oprijzen, of zij dan niet even als de aarde is
afgeplat aan de polen.