Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
grootte der maau bekend zgn, gemakkelijk berekend worden
uit de schijnbare middellyn.
Voor sommigen vond men alzoo meer dan 90.000 meters.
De hoogte kan bepaald worden uit den afstand, waarop
bij eerste kwartier hunne toppen zich buiten de eigenlijke
maanschijf vertoonen.
Men vond alzoo dat meer dan 20 maan-bergen de hoogte
van den Mont-Blanc (4800 meters) overtreffen en dat enkele
meer dan 7000 meters hoog zyn.
Terwijl op de zon voortdurend machtige vulkanen hunne
werking schijnen uit te oefenen, vindt men deze op de maan
slechts in uitgedoofden toestand.
De sterrekundigen Beer en Madler hebben zich de
moeite getroost al het bijzondere van het voorkomen der
oppervlakte op een groote maankaart over te brengen.
Daarop zijn de meest merkwaardige bergen en deelen door
de namen der ontdekkers of van andere beroemde personen
aangegeven, terwijl de groote diepe valleien die de vlekken
veroorzaken, met de naam van zeeün prijken, daar men
vroeger meende dat daar werkelijk water was. Een nauw-
keurige bespieding dier vlekken heeft echter duidelijk uit-
gemaakt, dat hier aan geen zeeün kan gedacht worden.
Trouwens het water zou moeielijk op de maan kunnen
bestaan, zoo het waar is, wat alle waarnemingen bevesti-
gen, dat de maan geen atmospheer heeft.
Wanneer nl. een ster door de maan wordt bedekt, ge-
schiedt de verdwijning dier ster altijd plotseling. Ware nu
een dampkring op de maan aanwezig dan zouden de stralen
van de ster uitgaande zoodanig moeten gebroken worden, dat
de verdwijning deel voor deel en langzaam zou moeten plaats
grijpen. Daarenboven zou men door die zelfde breking de
sterren nog moeten zien als zij reeds achter de maan ver-
scholen was en zouden dus de metingen vau de schijnbare
middellijn der maan, met behulp van sterbedekkingen ver-
richt , anders moeten uitvallen dan de directe metingen met
den micrometer, hetgeen nooit is voorgekomen. »
Het is dus zeker dat als er nog een atmospheer op de
maan is, deze niet in staat is een refractie van 1" op to
leveren, en daartoe zou een dampkring noodig zijn die yj^u
van de dichtheid van onze luchtzee bezit.
Door gebrek aan een dampkring van eenige merkbare