Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
139
Ook omtrent de lichtsterkte der zonnestralen zijn ver-
schillende proeven in 't werk gesteld, maar aangezien de
zon zoozeer alle soorten van kunstlicht in helderheid over-
treft , kan men slechts eenige benadering van de waarheid
opgeven, even als dat voor de opgegeven hoeveelheid warmte
het geval is.
§ 44. Sadere bescliomving der maan. Op de beschouwing der
zon zullen wij die van de m a a n laten volgen. Reeds met het
bloote oog erkent men op de maan vlekken, die tot het
sprookje van het »mannetje in de maan" aanleiding hebben
gegeven. De natuur dier vlekken, wordt door een goede
telescoop direct herkend. Men bemerkt dan dat het dalen
zijn, die omgeven zijn door bergen, welke schaduwen geven,
die zich met der tijd verplaatsen.
Men ziet dan ook den rand der maan, die nasir de zon
is toegekeerd altijd scherp begrensd, terwijl de tegenover-
gestelde zijde daarentegen ruw is en als het ware gekerfd.
De bergen aldaar werpen dan groote lange schaduwen, zoo-
als zij ook hier op aarde doen tegen den avond. Bij kwar-
tieren of bij sikkelvormige gedaante der maan, ziet men
buiten don eigenlijken rand enkele lichtpunten, die geheel
op zichzelf schijnen te staan. Dit kunnen niet anders zijn,
dan de toppen der maanbergen, die door de zon zijn verlicht,
terwijl hunne voeten nog in nachtelijke duisternis gehuld zijn.
Het voorkomen dier bergen is zonderling en van verba-
zende eenvormigheid.
In groote menigte bedekken zij de oppervlakte, vooral
der zuidelijke helft. Zij hebben allen een cirkelvormige ge-
daante met een groot dal van binnen, waaruit zich meestal
weder een kleine steile heuvel verheft. Men noemt ze
daarom ringbergen.
Zij gelijken bijzonder veel op de vulkanische bergen op
aarde met deze bijzonderheid er bij, dat de bodems der
kraters zeer diep liggen onder de eigenlijke oppervlakte der
maan. In sommige ringbergen zijn ook werkelijk met den
.sterken telescoop van Lord Rosoc duidelijke aanwijzingen van
vulkanische werkingen opgemerkt. Ook de fijne groeven
of voren, die men hier en daar soms over eene groote
uitgestrektheid aantreft heeft men aan den lavastroom toege-
schreven.
De middellijn dier ringbergen kan, nu de afstand en de