Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
460 lichto streepjes, en dat nu moest aangetoond worden,
dat al die 460 strepen juist op de behoorlijke plaats zich
donker afteekenen in het zonnespectrum. '
Dit werk, en meer dan dat, is echter verricht, zoodat
men nu weet dat de volgende stoifen in den zonnedampkring
aanwezig zijn:
Sodium. IJzer. Zink. Manganium.
Calcium. Chromium. Cadmium. Aluminium.
Borium. Nikkel. Kobalt. Titanium.
Magnesium. Koper. Waterstof. Eubidium.
Daarenboven heeft men ééne donkere streep niet door een
van onze aardsche stoffen weten te verklaren en alzoo het
bestaan van een om vreemde zelfstandigheid aangetoond,
welke men Helium heeft genoemd.
Wanneer die stoffen werkelijk als een atmospheer de zon
omringen dan moet de spectroscoop, gericht op plaatsen
in de onmiddellijke nabijheid van den zonnerand, ook een
lijnenspectrum aanwijzen, met lichte strepen, volkomen
overeenkomstig met de strepen, die men op de zonneschijf
donker ziet.
Hot is echter duidelijk dat het buitengewone sterke zon-
licht onze eigene atmospheer over een groote uitgestrekt-
heid zoo zeer verlicht, dat de zwak lichtende zonneatmos-
pheor daardoor geheel onzichtbaar wordt.
Gelukkig komen daarbij do zonsverduisteringen ons zeer
te hulp , vooral de totale. Alsdan wordt de zonneschijf
juist door de maan bedekt en zoo er dus nog iets om de
zon heen is, dat wij in gewone omstandigheden niet zien
kunnen, dan zal dit zich nu moeten vertoonen.
Wat ziet men nu bij een zoneclips, op het oogenblik dat
de laatste stralen achter de maan verdwijnen?
In plaats van volledige duisternis ziet men dan den don-
keren Kmd der maan omgeven van een purperklourigon ring
van vrij gelijkmatige dikte en gezaagde randen, die Airy
in 1840 de siorra heeft genoemd, maar die later van
Lockyer de naam van chromospheer ontving. Indien
chromospheer zijn hier on daar naar buiten uitstekende dee-
len van de grilligste vormen en van dezelfde kleur; deze
verhevenheden noemt men algemeen protuberansen.
Eindelijk is de geheele zon nog door een soort van aureool
van wit licht omgeven, die meestal een hoekigen vorm