Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
■bereikten. Als men nu nagaat dat zulk een vlek zelden
langer duurt dan 6 weken, dan moeten zijne randen met
de groote snelheid van 1700 kilometers per dag naar binnen
vliegen.
Hier verkrijgt men al een aanwijzing van de verbazende
werking, die op de zon plaats heeft.
Op plaatsen, waar geen vlekken zijn, heeft toch de zon
geen gelijkmatig voorkomen. Met bijzonder goede kijkers
ziet men de schijf als bezaaid met kleine vlekjes of poriën,
die in een voortdurende beweging verkeeren. Op vele plaat-
sen vindt men meer lichtgevende strepen van allerlei vor-
men, fakkels genoemd, terwijl de geheele schijf een ge-
spikkeld voorkomen heeft met figuren als wilgenbladeren,
strooit] es, enz.
Zelfs in de vlekken, die men vroeger als volkomen zwart
afschilderde, heeft men later lichtere strepen en plekken
van allerlei onregelmatige gedaante gevonden, overbrug-
gingen.
Deze laatste waarneming strijdt met de voorstelling, die
Arago omtrent de zon gegeven heeft.
Daar nl. de zonnevlekken, aan den westelijken rand der
zon gekomen, van vorm veranderen, volkomen op de wijze
waarop een kegelvormige holte zich zou voordoen, stelde
Arago de zon voor als een donkeren bol, omgeven door een
sterk lichtenden gasvormigen atmospheer, dephotospheer
genoemd; de donkere vlekken zijn dan gaten in dien photos-
pheer, waardoor men als door een trechter ziet tot op den
donkeren kern.
yS Natuur der zon. Door latere onderzoekingen,vooral
met den spectroscoop in het werk gesteld, zijn de denk-
beelden omtrent de natuur van de zon aanmerkelijk gewij-
zigd en hoewel men daaromtrent nog niet tot zekerheid is
gekomen, heeft men tot een betere kennis van de bron van
ons licht groote stappen voorwaarts gedaan.
Dat werkelijk de zon door een of meer atmospheeren om-
geven is, blijkt uit de regelmatige afneming van het licht
naar de randen, zooals duidelijk merkbaar is, wanneer men
met een kijker een vergroot beeld van de zon op een wit
scherm vormt
Eveneens is het met de warmte gesteld, want een thermo-
electrische naald, in verschillende punten van die op 't pa-