Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
129
De vlekken zouden dus nog een eigen beweging hebben,
behalve de schijnbare.
De weg, welken aldus de vlekken over de zonneschijf
doorloopen, heeft niet op iederen tijd van 't jaar denzelfden
vorm. In den regel is het een ellips; alleen omstreeks
11 Juni en 12 December ziet men een rechte lijn. Daar
nu de werkelijke wegen natuurlijke cirkels zijn, die zich
nu eens als ellipsen dan weder als rechte lijnen vertoonen,
al naarmate het vlak er van met de ecliptica een hoek
maakt of daarmede evenwijdig is, maken wij uit dat ver-
schijnsel op, dat op genoemde datums de omwentelingsas
der zon noch naar ons toe noch van ons afgekeerd is, dat
wij dan juist waarnemen het snijpunt van den zon-equator
met de ecliptica. De stand van dien equator is daardoor
volkomen bekend.
Verder kan de helling op de ecliptica nagegaan worden
uit de kromming der banen op andere tijdstippen. Men
heeft daarvoor gevonden : VIS',
dus ongeveer van de helling, die onze equator op de
ecliptica bezit.
Men vindt de zonnevlekken altijd in de nabijheid van den
equator, hoogstens 30° a 25° aan weerszijden er van, meer
op de noordelijke helft dan op de zuidelijke; in de poolstre-
ken zijn zij hoogst zeldzaam.
Er zijn jaren waarin het aantal vlekken betrekkelijk ge-
ring is; anderen weder die bjjzonder rijk daaraan zijn. Men
heeft bevonden dat deze afwisseling periodiek is, en dat
na ongeveer 11 jaren dezelfde gemiddelde hoeveelheid vlekken
weuer terugkomt.
Merkwaardig is het, dat dit in verband staat met de
storingen van de magneetnaald. Zijn er veel vlekken,
dan vindt men ook groote veranderingen in de magnetische
declinatie en omgekeerd. Ook daarvoor is dezelfde periode
van 11 jaren gevonden.
Hierdoor wordt het allerwaarsch^nlijkst dat op haren
grooten afstand de zon toch nog een magnetische werking
uitoefent op de aarde.
De werkelijke grootte der vlekken kan uit den bekenden
afstand der zon en uit de schijnbare grootte gemakkelijk
worden berekend. Zoo heeft men er waargenomen die een
middellijn van 72000 kilometers