Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
Graham kon zich ook zeer goed met die theorie vereeni-
gen en zegt:
»Men kan van de meteoriet van L e nar t s beweren, dat zij
in zich heeft opgesloten en tot ons overgebracht de water-
stof van de sterren."
Het eenige wat ons nog van die onderstelling huiverig
maakt is de onbegrijpelijk groote snelheid, waarmede zulk
een ster die lichamen moet opwerpen, om ze te slingeren
tot binnen het zonnestelsel.
Wij zullen echter later zien , dat de verschijnselen op de
zon waargenomen, die toch ook een vaste ster is, het ver-
moeden van zulke kolossale explosieve krachten wettigt.
§ 43. Nadere beschouwing der zon. Gaan wij nu van
de sterren tot de beschouwing van het zonnestelsel over,
dan wordt onze aandacht het eerst en het meest getrokken
door bet centrum er van, de zon zelve.
«. Zonnevlekken. Met een goeden telescoop door don-
kergekleurde zonneglazen beschouwd, ziet men dezen reus-
achtigen bol als eene groote lichtschijf. Hier en daar neemt
men donkere plaatsen van onregelmatigen vorm waar, zon-
nevlekken genaamd, welke soms een groote oppervlakte
beslaan; zij zijn omgeven door minder donkere randen, de
penumbra of halfschaduw genaamd; somtijds ziet men
in korten tijd zulk een vlek ontstaan en verdwijnen, anderen
weder duren geruimen tijd, zooals de groote vlek van 1779,
die zes maanden zichtbaar was.
Deze zonnevlekken veranderen aanhoudend van vorm en
verplaatsen zich allen schijnbaar over de zonneschijf. Zij ver-
plaatsen zich namelijk regelmatig naar den westelijken rand,
waar zij verdwijnen , terwijl anderen weder aan den oostelij-
ken rand voor den dag komen.
Dit laatste is een duidelijke aanwijzing dat de zon regel-
matig om een as draait, even als de aarde.
Door een nauwgezet waarnemen van een en dezelfde vlek is
men er zelfs in geslaagd den duur van dien omwentelings-
tijd te bepalen, en wel op
25 dagen 8 uren.
Eenige onzekerheid blijft daaromtrent altijd nog bestaan,
daar opgemerkt is, dat de rotatietijd, uit de beweging van
de eene vlek afgeleid, niet juist met die van een andere
overeenstemt.