Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
121
plaats dier donkere strepen heeft men kunnen bepalen dat
in de atmospheren van Aldebaran en Betelgeuse de dam-
pen voorkomen van ijzer, magnedum, »odium, calcium enz.
Merkwaardig is het dat waterstof, dat in de anderen altijd
voorkomt, in Betelgeuse ontbreekt. Het spectrum van de
veranderlijke ster t van den Kroon biedt deze bijzon-
derheid aan, dat het tegelijk lichte en donkere strepen
vertoont. Wellicht kan deze waarneming van Huggins ver-
der leiden op den weg ter verklaring van den aard der ver-
anderlijke sterren dan de fraaiste hypothesen, daarvoor vroe-
ger opgesteld.
Het spectrum van Sirius geeft de voornaamste water-
stofstreep P van Frauenhofer zeer duidelijk.
Huggins, die deze ster met bij zonderen zorg en een
uitnemenden spectroscoop onderzocht, bemerkte nu een kleine
verschuiving van die streep, tenopzichte van do zelfde
streep uit een waterstofvlam. Hier zijn wij dus juist in
het geval, boven bij do onderstelling van Sostini vermeld,
dat hot nl. mogelijk is eene beweging te constateeren.
Hier is volgens pag. 115 eene duidelijke aanwijzing dat Sirius
zich van ons af beweegt met een meetbare snelheid, die
door Huggins gesteld is op 32 kilometers per secunde.
Op dezelfde wijze heeft men gemeend de beweging te
mogen vaststellen van Rigel, Castor, Regulus, Arc-
turus en a van den Grooten Beer.
Zelfs onder de vaste sterren heerscht dus geen volstrekte
onbewegelijkheid. Ook daar is beweging en verandering.
Trouwens de spectroscoop heeft slechts bevestigd wat nauw-
keurige metingen van rechte-klimming en declinatie reeds te
voren en met nog meerdere zekerheid haddon aan 't licht
gebracht: dat namelijk eenige sterren een eigen bewe-
ging bezitten. Op die laatste wijze heeft men b. v. de be-
weging gevonden van 61 Cygni, zie pag. 105, terwijl b. v.
een ster van de zevende grootte in don Grooten Beer jaar-
lijks een verplaatsing van 5—7 secunden ondergaat.
Het getal der sterren, waarvan de eigen beweging volgens
de laatste methode geconstateerd is, klimt nu reeds tot
meer dan 1000 op.
Een eigenaardig onderscheid bestaat er tusschen de uit-
komsten omtrent deze zaak vorkregen door middel van den
spectroscoop en door middel van metingen met meridiaan-