Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
klein, daarom nemen wg , in hare plaats, de middellijn van
de aardbaan, d. i. in plaats van eenlijnvan 12733 kilo-
meters , stellen wij er een van 306 millioen kilometers, en
maken dus de basis 23984 malen grooter.
In figuur 30 moet dan M de zon, de cirkel de aardbaan
en A en B twee punten er van voorstellen, terwijl Z de ster
beteekent.
Wanneer er dan eenig verschil in richting tusschen de
lijnen AZ en BZ te vinden is, dan wordt daardoor de hoek
AZB bekend, en kan de afstand van de ster berekend wor-
den. Zijn A en B twee punten van de aardbaan, die juist
diametraal tegenover elkander liggen, dan is de halve hoek AZB
diegene, welke men de jaarlijksche parallaxis noemt.
Het is dus de hoek waaronder men uit de ster de straal
der aardbaan zou zien.
Zoo men de onmetelijke lengte van den basis j die men dan
aanneemt, nagaat, zou men natuurlijk verwachten, dat men
aldus een tamelijk bedrag in parallaxis bij de sterren zou
opmerken.
Maar na zich in alle verbeteringen der instrumenten uit-
geput te hebben, waren de astronomen niet lang geleden nog
onbekwaam om eenige stellige uitkomsten op te geven. Men
kon het niet verder brengen dan tot de uitspraak, dat er in
onzen noordelijken hemel geen ster te vinden is, wier jaar-
lijksche parallaxis niet minder is dan één boog secunde.
Daar nu de sinus van 1"= j^ï^'jër i®' ™oet de afstand
der vaste sterren stellig meer dan 206265 malen grooter
zijn dan de afstand van de zon tot de aarde, derhalve meer dan
206265 X 153 millioen kilometers
of 31J billioen kilometers,
een afstand, te groot voor onze verbeelding.
Het licht heeft met hare verbazende snelheid nog 3 jaar
en 83 dagen noodig, om dien afstand te doorloopen.
Nu moeten de afstanden der vaste sterren deze grootheid
nog overtreifen zoodat het waarschijnlijk is dat van sommige
sterren het licht 100 en meer jaren noodig heeft om tot ons
te geraken.
Wij zien dus de sterrenwereld nooit zooals zij is, daar wij
iedere ster waarnemen op de plaats, waar zij zich bevond
op het lang verstreken oogenblik dat de lichtstralen van
haar uitgingen, die nu ons oog treffen.