Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
Masia. Dichtheid. Waarde Tan g. j
Mercurius. 0.081 1.501 0.568 !
Venus. . . . 0.859 0.987 0.942
Aarde .... 1 1 1 !
Mars..... 0.119 0.779 0.417 - i
Jupiter. . . 337.171 0.257 2.816
Saturnus. . 100.806 0.132 1.204
Uranus. . . 17.208 0.228 0.963
Neptunus. 20.231 0.236 1.039
Mars is dus degene op wier oppervlak de zwaartekracht
het kleinst is. Men zou, zooals Bernstein opmerkt, van
hier naar Mars overgeplaatst zijnde, zich daar bijzonder
licht gevoelen en sprongen kunnen maken van bijzondere
hoogte. Goud zou daar niet zwaarder wegen dan tin hier,
en kurk hier niet lichter zijn dan eikenhout ginder.
ef. Zoo men de formule (3) op onze maan toepast, dan kan
daaruit direct de massa jt, van onzen wachter bepaald wor-
den; alle grootheden nl. ƒ, m, a en < zijn dan bekend.
Men vindt aldus een naastenbij
voor de massa t= van die der aarde = 69500 tril-
lioen kilogrammen,
voor de dichtheid = 0.564 van die der aarde,
en voor de versnelling = 0.163 van die der aarde.
De versnelling is daar dus nog minder dan op Mars. Een
stevige man zou daar niet meer wegen dan hier een kind.
§ 34. Afstand der vaste sterren. Zoo men de methode,
op pag. 88 ontwikkeld, aanwendt om de parallaxis der
vaste sterren te bepalen, vindt men voor den hoek AZB
de waarde nul, hetgeen bewijst dat die hemellichamen veel
te ver weg zijn, om zich, uit verschillende punten der aarde
gezien, op verschillende punten des hemels te projecteeren.
De lijnen AZ en BZ zijn dan zoo weinig verschillend van
den evenwijdigen stand, dat men dat verschil met de fijnste
instrumenten niet kan opmerken. Iets dergelijks zouden wij
verkrijgen, indien wij de breedte van een rivier wilden me-
ten met een basis van J meter.
Het eenige wat er dan overschiet is de basis wat grooter
te nemen.
In figuur 30 was de basis waarmede wij den afstand der
zon bepaalden de lijn AB, die hoogstens gelijk kan zijn aan
de middellijn der aarde. Deze nu is voor de sterren te